Inhoudsopgave
Verantwoording Methode M – Maatschappijleer, vmbo GT
Kolommen
Exporteer
Vraagstukken
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
1. Vraagstuk herkennen | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/4d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vr | Weten wat een maatschappelijk vraagstuk is.
Uitleggen of een probleem ook een maatschappelijk vraagstuk is. | ||
2. Argumenten bedenken | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | Weten wat een standpunt is en wat argumenten zijn.
Uitleggen hoe je een standpunt kunt innemen met behulp van argumenten. | Oefenen met argumenteren | |
3. Analyseren | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren. | ||
4. Invalshoeken | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/4d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vr | Weten wat de invalshoeken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je deze invalshoeken kunt toepassen bij een analyse. | ||
Analyses | ||||
Analyse: Femicide | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Analyse: AI | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Analyse: Code Rood | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Analyse: Knokke(n) | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De maatschappij | ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan;
ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken | Uitleggen waarom er regels nodig zijn in de samenleving.
Weten wat omgangsvormen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat waarden en normen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen dat mensen verschillende belangen hebben, wat belangentegenstellingen zijn en hierbij voorbeelden kunnen noemen. | Omgangsvormen
Fatsoen
Waarden
Normen
Belangen
Belangentegenstelling | |
2. Socialisatie | ML1/K/4/5a — De kandidaat kan beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving en de invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven;
ML1/K/4/5c — De kandidaat kan de rol van onderwijs (als socialiserende instantie) beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving. | Weten welke discussie er is rondom aangeboren en aangeleerde eigenschappen.
Uitleggen hoe mensen zich aanpassen aan de samenleving door middel van het socialisatieproces.
Uitleggen welke rol socialiserende instituties hebben in het socialisatieproces. | Aangeboren eigenschappen
Aangeleerde eigenschappen
Socialisatie
Socialiserende instituties
Imitatie
Identificatie
Sanctie
Sociale controle
Internalisatie
Referentiekader | |
3. Cultuur | ML1/K/4/5b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heefet op het gedrag en socialisatieproces; | Weten wat cultuur is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen waarom mensen bij een (sub)cultuur willen horen.
Uitleggen waarom cultuuroverdracht een belangrijk onderdeel is van het socialisatieproces. | Cultuur
Dominante cultuur
Cultuuroverdracht
Tradities
Feestdagen
Gewoontes
Subculturen | |
4. Multiculturele samenleving | 1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in
internationaal verband. | Uitleggen dat Nederland een multiculturele samenleving is.
Weten welke redenen voor migratie er zijn.
Uitleggen welke rol de overheid heeft bij de integratie van migranten. | Multiculturele samenleving
Migranten
Integreren | |
5. Sociale ongelijkheid | ML1/K/5/7a — De kandidaat kan met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven/uitleggen hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen (sociale mobilitei
ML1/K/5/7c — De kandidaat kan overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren. | Weten hoe een maatschappelijke positie tot stand komt.
Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze tot discriminatie kunnen leiden.
Weten welke minderheidsgroepen er zijn. | Maatschappelijke positie
Kansarm
Kansrijk
Sociale ongelijkheid
Vooroordelen
Discriminatie
Minderheden | |
6. Gelijke kansen | ML1/K/7/11b — De kandidaat kan beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; | Uitleggen hoe iemand kan veranderen van maatschappelijke positie.
Uitleggen wat de overheid doet aan het bestrijden van sociale ongelijkheid.
Uitleggen hoe we door middel van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen samenleven. | Sociale mobiliteit
Tolerantie
Gelijkwaardigheid | |
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Etnisch profileren | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Kijken: Het Grote Hokjesexperiment | ML1/K/7/10c — De kandidaat kan voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is | Uitleggen wat vooroordelen zijn.
Uitleggen hoe vooroordelen discriminatie veroorzaken.
Uitleggen welke invloed vooroordelen hebben op mensen waar veel vooroordelen over zijn. | ||
Maken: Culturenkalender | ML1/K/4/4b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag | Uitleggen dat iedere cultuur andere cultuurkenmerken heeft. | ||
Doen: Oma/opa, mam/pap en jij? | ML1/K/4/5b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heefet op het gedrag en socialisatieproces; | Uitleggen dat iedere generatie een ander socialisatieproces heeft. | ||
Politiek
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is politiek? | ML1/K/6/9a — De kandidaat kan vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren | Weten wat politiek is.
Uitleggen hoe de macht in Nederland is verdeeld.
Uitleggen dat de Grondwet belangrijk is voor een rechtsstaat. | Ministers
Politiek
Regering
Grondwet
Grondrechten
Rechten
Plichten
Parlement
Rechtsstaat | |
2. Democratie | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | Weten welke rol burgers spelen in een democratie.
Weten welke bestuurslagen we in Nederland hebben.
Uitleggen dat we in Nederland een parlementaire democratie hebben. | Volksvertegenwoordigers
Politieke besluitvorming
Democratie
Algemeen belang
Parlementaire democratie
Bestuurslagen | |
3. Politieke partijen | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | Weten wat een politieke partij is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van politieke partijen.
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting. | Politieke partijen
Verkiezingsprogramma
Links
Rechts
Progressief
Conservatief
Actieve overheid
Passieve overheid | |
4. Kabinet en parlement | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | Weten wat de taken van kabinet en parlement zijn.
Weten wat het verschil is tussen coalitie en oppositie.
Uitleggen waarom het kabinet het parlement nodig heeft. | Kabinet
Ministers
Staatssecretarissen
Minister-president
Ministerie
Eerste Kamer
Tweede Kamer
Fracties
Coalitie
Oppositie
Ambtenaren | |
5. Hoe komt een wet tot stand? | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | Weten welke rol ambtenaren spelen bij politieke besluitvorming.
Uitleggen hoe we in Nederland regels en wetten maken.
Uitleggen waarom in Nederland er vaak een compromis nodig is. | Politieke agenda
Compromis | |
6. Invloed op de politiek | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | Weten hoe mensen invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat belangengroepen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke machtsmiddelen er zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen. | Lobbyen
Macht
Belangengroep | |
Quiz: Welke politicus ben jij? | ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. | |||
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Klimaatverandering | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. | Weten wat de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen waarom de overheid maatregelen neemt tegen klimaatverandering.
Uitleggen wat de vier benaderingswijzen bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat jij vindt dat de overheid moet doen tegen klimaatverandering. | ||
Kijken: Nederland Polderland | Uitleggen uit welke fases het politieke besluitvormingsproces bestaat.
Weten wat een compromis is.
Toelichten dat politici niet altijd hun beloften kunnen nakomen. | |||
Maken: Partijenkwartet | Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting. | |||
Doen: Je eigen partij | Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting en stroming.
Uitleggen dat politieke partijen mensen proberen te overtuigen van hun standpunten. | |||
Perspectieven
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Vraagstukken | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/4d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vr | Ik kan uitleggen waarom iets een maatschappelijk vraagstuk is.
Ik kan beredeneren wanneer een vraagstuk maatschappelijk of politiek is.
Ik kan verbanden leggen tussen oorzaken en gevolgen van een maatschappelijk vraagstuk. | Oorzaken en gevolgen | |
2. Standpunten | Ik kan beschrijven wat verschillende groepen van een maatschappelijk probleem vinden.
Ik kan verschillende frames bij een maatschappelijk vraagstuk benoemen.
Ik kan bedenken hoe groepen invloed proberen uit te oefenen op een maatschappelijk vraagstuk. | Standpunten-arena | ||
3. Oplossingen | Ik kan mogelijke oplossingen voor een maatschappelijk vraagstuk benoemen.
Ik kan de gevolgen van elke oplossing voor verschillende groepen toelichten.
Ik kan onderzoeken welke oplossing het meest rechtvaardig is voor iedereen. | Minderheidscheck | ||
4. Eigen positie | Ik kan benoemen wat ik belangrijk vind in dit maatschappelijk vraagstuk.
Ik kan toelichten welk persoonlijk belang ik bij dit maatschappelijk vraagstuk heb.
Ik kan beargumenteren welke oplossing ik het beste vind en beschrijven hoe ik daaraan kan bijdragen. | MaatschappijKompas | ||
5. Vergelijken | ML1/K/7/11b — De kandidaat kan beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; | Ik kan vergelijken hoe groepen in tijd en plaats omgaan met maatschappelijke vraagstukken.
Ik kan samenlevingen vergelijken in tijd en plaats.
Ik kan politieke systemen vergelijken in tijd en plaats. | Vergelijken | |
6. Toekomst in beeld | Ik kan ontdekken welke opleidingen en beroepen met maatschappijleer te maken hebben.
Ik kan door activiteiten ontdekken welke interesses, kwaliteiten en mogelijkheden ik heb.
Ik kan onderzoeken waar ik informatie over een opleiding of beroep kan vinden. | Welke mbo-opleiding of welk beroep past bij mij? | ||
Perspectieven: Online gokken | Debatteren | |||
Perspectieven: Algoritme | Burgerberaad | |||
Perspectieven: Manosphere | Post-it Perspectief | |||
Debatteren: Dienstplicht | Debatteren | |||
Debatteren: Sociale media | Debatteren | |||
Debatwerkvormen | ||||
Het Lagerhuisdebat | Voer een Lagerhuisdebat | |||
Het Brillendebat | Voer een Brillendebat | |||
De debat-battle | Voer een debat-battle | |||
Cirkel van invloed | ||||
Placematdiscussie | ||||
Het Luchtballondebat | Voer een luchtballondebat | |||
Het Vissenkomdebat | Voer een vissenkomdebat | |||
Het Carrouseldebat | Voer een carrouseldebat | |||
Blind Beslissen | ||||
Pitch | ||||
Mediawijs
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Massamedia | Media doorgronden.
Functies van de media.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming. | Weten wat communicatie is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat het verschil is tussen media en massamedia.
Weten welke functies media hebben en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat medialisering is en hiervan voorbeelden kunnen noemen. | Communicatie
Medium
Media
Massamedia
Amusementsfunctie
Informatiefunctie
Infotainmentfunctie
Meningsvormende functie
Agendafunctie
Socialiserende functie
Medialisering | |
2. Journalistiek | Media doorgronden.
3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming.
Overheid en media. | Uitleggen welke rollen er in de journalistiek zijn.
Uitleggen waarom journalistiek belangrijk is in onze samenleving.
Uitleggen wat persvrijheid is. | Journalist
Verslaggever
Redactie
Persbureau
Waakhondfunctie
Persvrijheid | |
3. Medialandschap | Media doorgronden.
Overheid en media. | Weten hoe het medialandschap van Nederland in elkaar zit.
Uitleggen hoe commerciële media hun geld verdienen.
Uitleggen dat media zich richten op doelgroepen en hiervan voorbeelden kunnen noemen. | Publieke omroep
Commerciële media
Commercieel
Identiteit
Doelgroep | |
4. Jouw data op het internet | Reflecteren op mediagebruik. | Uitleggen waarom jouw data op het internet van belang zijn voor mediabedrijven.
Weten wat selectieve waarneming is.
Weten wat een filterbubbel is.
Weten hoe selectieve waarneming en een filterbubbel kunnen leiden tot complottheorieën. | Cookies
Privacy
Algoritme
Selectieve waarneming
Filterbubbel
Complottheorieën | |
5. Beeldvorming | ML1/K/7/10d — De kandidaat kan van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.
ML1/K/7/10b — De kandidaat kan uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen
ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; | Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Uitleggen wat rolpatronen en stereotypen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe de media discriminatie kunnen versterken.
Uitleggen hoe je vooroordelen en stereotypen kunt herkennen en tegengaan. | Beeldvorming
Rolpatroon
Stereotypes
Vooroordelen
Discriminatie | |
6. Omgaan met media | 1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie.
1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media.
Media doorgronden.
Reflecteren op mediagebruik. | Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Herkennen wanneer een bron wel of niet betrouwbaar is.
Uitleggen welke gevaren er schuilen in kunstmatige intelligentie. | Burgerjournalistiek
Nepnieuws
Kunstmatige intelligentie | |
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Online privacy | ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Kijken: De Dikke Datashow | ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; | Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben.
Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Weten welke functies media hebben. | ||
Maken: NieuwsVandaag | Uitleggen hoe een nieuwsbericht wordt gemaakt. | |||
Doen: DIY Infotainmentvlog | Uitleggen wat infotainment is. | |||
Criminaliteit
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? | ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken | Uitleggen wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat het verschil is tussen immateriële gevolgen en materiële gevolgen.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit en hier voorbeelden bij noemen.
Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is. | Regels
Overtredingen
Misdrijven
Criminaliteit
Immateriële gevolgen
Materiële gevolgen
Veelvoorkomende criminaliteit | |
2. Redenen voor criminaliteit | ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan; | Uitleggen welke risicofactoren een rol spelen bij het ontstaan van strafbaar gedrag.
Uitleggen welke beschermende factoren een rol spelen bij het tegengaan van strafbaar gedrag.
Weten dat de meeste criminaliteit gepleegd wordt door jongeren. | ||
3. De rechtsstaat | ML1/K/6/9a — De kandidaat kan vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren | Weten welke rechtsbescherming je hebt in een rechtsstaat.
Weten waarom de scheiding van machten belangrijk is in een rechtsstaat.
Weten welke rechten een verdachte heeft. | Rechtsstaat
Rechtsbescherming
Legaliteitsbeginsel
Openbaar ministerie
Officier van justitie | |
4. De politie en de officier van justitie | 8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat. | Weten welke taken de politie heeft en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke taken de officier van justitie heeft en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe een officier van justitie een strafbaar feit kan afhandelen. | Proces-verbaal
Seponeren
Schikken
Strafbeschikking
Vervolgen | |
5. Een rechtszaak | 8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat.
8.5 De kandidaat kan de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden. | Weten welke verschillende rechters er zijn.
Weten hoe een rechter tot zijn vonnis komt.
Uitleggen hoe een rechtszaak in zijn werk gaat. | Requisitoir
Pleidooi
Vonnis
Hoger beroep
Kantonrechter
Politierechter
Meervoudige kamer
Gerechtshof
Hoge Raad
Cassatie | |
6. Jeugdcriminaliteit | ML1/K/5/7c — De kandidaat kan overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren. | Weten wat ondermijning is.
Uitleggen wat het jeugdstrafrecht is.
Weten wat het doel van bureau Halt is. | Ondermijning
Jeugdstrafrecht
Halt-straf | |
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Gedoogbeleid | ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Kijken: Danny op straat | Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten welke rol media spelen bij criminaliteit. | |||
Maken: Preventieposter | Weten dat preventie een taak van de politie is.
Uitleggen hoe je een vorm van criminaliteit kan voorkomen. | |||
Doen: Interview over criminaliteit | ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan; | Uitleggen hoe de door jouw geïnterviewde persoon een aandeel heeft in het bestrijden van criminaliteit. | ||