Ga naar inhoud
Schooljaar 2026/2027Laatst gewijzigd 06-09-2026

Verantwoording Methode M – Maatschappijleer (vakvernieuwing), vwo

Kolommen
Exporteer

Perspectieven

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Vraagstukken
Ik kan aangeven waarom iets een maatschappelijk vraagstuk is. Ik kan beredeneren wanneer iets een maatschappelijk of een politiek vraagstuk is. Ik kan redeneren over oorzaken en gevolgen van een maatschappelijk vraagstuk.
Oorzaken en gevolgen
2. Standpunten
Ik kan de standpunten van betrokken groepen bij een maatschappelijk vraagstuk beschrijven. Ik kan de frames en de waarden die achter de standpunten van betrokken groepen liggen toelichten. Ik kan uitleggen hoe betrokken groepen invloed proberen uit te oefenen op een maatschappelijk vraagstuk.
Standpunten-arena
3. Oplossingen
A2.4.3 — onderzoeken van mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan oplossingsrichtingen binnen het vraagstuk; A2.4.2 — analyseren in welke mate de gewenste oplossingen overeenkomen met belangen en waarden van anderen en het algemeen belang.
Ik kan verschillende mogelijke oplossingen voor een maatschappelijk vraagstuk beschrijven. Ik kan de gevolgen van elke oplossing voor verschillende groepen toelichten. Ik kan onderzoeken welke oplossing het meest rechtvaardig is voor groepen en het algemeen belang.
Minderheidscheck
4. Eigen positie
A2.4.1 — inventariseren van eigen waarden en belangen in relatie tot het vraagstuk; A2.4.3 — onderzoeken van mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan oplossingsrichtingen binnen het vraagstuk;
Ik kan benoemen wat ik belangrijk vind in dit maatschappelijk vraagstuk. Ik kan uitleggen welk persoonlijk belang ik heb bij dit maatschappelijk vraagstuk. Ik kan beargumenteren welke oplossing ik het beste vind en beschrijven hoe ik daar zelf aan kan bijdragen.
MaatschappijKompas
5. Vergelijken
A1.2.1 — vergelijken van groepen, samenlevingen en politieke systemen naar tijd en plaats;
Ik kan vergelijken hoe groepen in tijd en plaats omgaan met maatschappelijke vraagstukken. Ik kan samenlevingen vergelijken in tijd en plaats. Ik kan politieke systemen vergelijken in tijd en plaats.
Vergelijken
6. Toekomst in beeld
Ik kan ontdekken welke opleidingen en beroepen met maatschappijleer te maken hebben. Ik kan uitleggen welke interesses en kwaliteiten van mij passen bij maatschappijleer. Ik weet hoe ik mij kan oriënteren op een passende studie en een passend beroep.
Welke studie of welk beroep past bij mij?
Debatwerkvormen
Het Carrouseldebat
Voer een carrouseldebat
Het Vissenkomdebat
Voer een Vissenkomdebat
Het Luchtballondebat
Voer een Luchtballondebat
Het Lagerhuisdebat
Voer een Lagerhuisdebat
Het Brillendebat
Voer een Brillendebat
De debat-battle
Voer een debat-battle
Debatteren: Dienstplicht
Debatteren
Debatteren: Sociale media
Debatteren
Perspectieven: Online gokken (standpunten)
Debatteren
Perspectieven: Algoritmes (oplossingen)
Burgerberaad
Perspectieven: Manosphere (Eigen positie)
Post-it Perspectief
Brillendebat (standpunten)
Voer een Brillendebat
Lagerhuisdebat (standpunten)
Voer een Lagerhuisdebat
Pitch (oplossingen)
Oplossingenpitch
Blind Beslissen (oplossingen)
Blind beslissen
Cirkel van invloed (eigen positie)
Cirkel van invloed
Placematdiscussie (eigen positie)
Placematdiscussie
Perspectieven: American Dream (verschillen)
Vergelijken

Identiteit

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Wie vormt jou?
C2.11.1 — uitleggen hoe socialisatie verloopt en welke socialisatoren daar een rol in spelen; B1.6.1 — uitleggen wat waarden voor mensen kunnen betekenen; C4.16.3 — verkennen hoe verschillende opvattingen naast elkaar kunnen bestaan;
Ik kan uitleggen hoe socialisatie verloopt. Ik kan uitleggen welke socialisatoren een rol spelen bij socialisatie. Ik kan uitleggen wat waarden betekenen voor mensen.
2. Normaal
C2.11.3 — uitleggen hoe socialisatie kan leiden tot rolpatronen, vooroordelen, indoctrinatie, polarisatie en conflicten tussen groepen. B1.6.1 — uitleggen wat waarden voor mensen kunnen betekenen; B1.6.3 — benoemen van spanningen tussen en binnen waarden; B1.6.4 — afwegen welke waarden en normen belangrijk zijn in een concrete situatie. C4.16.4 — mogelijkheden verkennen voor het vreedzaam omgaan met verschillen en conflicten;
Ik kan uitleggen hoe het socialisatieproces invloed heeft op keuzes die mensen maken. Ik kan uitleggen hoe waarden en normen met elkaar samenhangen. Ik kan afwegen welke waarden en normen belangrijk zijn in een concrete situatie.
3. Verschillen
B1.6.2 — vergelijken van waarden bij de inrichting van het persoonlijke en maatschappelijke leven;
Ik kan uitleggen hoe socialisatie en persoonlijke kenmerken invloed hebben op hoe mensen handelen. Ik kan uitleggen hoe verschillen in socialisatie en persoonlijke kenmerken invloed hebben op iemands identiteit. Ik kan in een concrete situatie herkennen welke waarden belangrijk zijn bij het maken van keuzes van mensen. Ik kan uitleggen hoe nature en nurture samen invloed hebben op hoe mensen handelen.
4. Hokjesdenken
B1.6.3 — benoemen van spanningen tussen en binnen waarden; C4.16.3 — verkennen hoe verschillende opvattingen naast elkaar kunnen bestaan;
Ik kan uitleggen hoe socialisatie invloed heeft op verwachtingen over het gedrag van anderen. Ik kan uitleggen hoe rolpatronen en vooroordelen kunnen leiden tot conflicten tussen groepen. Ik kan bij een conflict tussen groepen benoemen welke waarden met elkaar botsen. Ik kan uitleggen hoe rolpatronen, vooroordelen en indoctriantie kunnen leiden tot conflicten tussen groepen en tot polarisatie
5. Cultuur om je heen
C2.12.1 — vergelijken van culturen op basis van cultuurkenmerken en naar plaats en tijd; C2.12.2 — onderscheiden van dominante culturen en subculturen; C2.12.4 — reflecteren op de betekenis die mensen geven aan hun (sub)cultuur en aan andere (sub)culturen, vanuit de perspectieven van cultuuruniversalisme en cultuurrelativisme. A1.2.1 — vergelijken van groepen, samenlevingen en politieke systemen naar tijd en plaats;
Ik kan culturen vergelijken in tijd en plaats aan de hand van cultuurkenmerken. Ik kan een onderscheid maken tussen de dominante cultuur en de subculturen. Ik kan beschrijven welke betekenis mensen geven aan hun eigen cultuur of subculturen. Ik kan een onderscheid maken tussen cultuurgroepen in de wereld (12) (havo gaat om dominate cultuur en subcultuur) Ik kan vanuit cultuuruniversalisme en cultuurrelativisme beschrijven welke betekenis mensen geven aan hun eigen cultuur of subcultuur
6. Samen online
C3.15.4 — uitleggen dat framing en selectie van informatie van invloed zijn op berichtgeving en beeldvorming; C3.15.2 — benoemen van mogelijkheden en risico’s van online omgevingen voor identiteitsontwikkeling en privacy; C3.15.3 — beredeneren hoe verdienmodellen van media van invloed zijn op inhoud en vorm van berichtgeving;
Ik kan uitleggen hoe de selectie en framing van informatie invloed hebben op beeld- en meningsvorming. Ik kan benoemen welke kansen en risico's er online zijn. Ik kan uitleggen wat het verband is tussen verdienmodellen van media en de berichtgeving. Ik kan uitleggen hoe de selectie en framing van informatie invloed hebben op de beeld- en meningsvorming.
Vraagstukken
1. Tiktok challenge
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Deepfake
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Familievloggers / Finfluencers
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Regenboogvlag
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Paarse vrijdag
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Prideweek / Aanslag berlijn
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Voetballers als rolmodel
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Lookbook
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Disney / color-blind casting
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Verschillen thuis
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Vrouwenvoetbal
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Tradwifes / Vrouwrechten Afghanistan
Leerdoelen nog niet vastgesteld.

Sociale ongelijkheid

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Binding
Ik kan uitleggen waarom mensen verschillend kunnen denken over sociale cohesie. Ik kan met voorbeelden uitleggen waarom sociale cohesie belangrijk is voor mensen, groepen en de samenleving. Ik kan uitleggen hoe affectieve, cognitieve, economische en politieke bindingen zorgen voor sociale cohesie. Ik kan bij een maatschappelijk vraagstuk uitleggen waarom mensen verschillend kunnen denken over wat vrijheid, gelijkheid en solidariteit betekenen.
2. Wij en zij
C3.13.3 — verklaren dat te veel sociale cohesie binnen groepen kan leiden tot een zwakkere sociale cohesie tussen groepen; C3.13.4 — uitleggen hoe bij groepsvorming processen van in- en uitsluiting werken en deze benoemen in een gegeven context;
Ik kan uitleggen wat de invloed is van sociale cohesie op een maatschappij. Ik kan uitleggen hoe processen van in- en uitsluiting werken bij groepsvorming. Ik kan beargumenteren dat een sterke in-groep kan zorgen voor afkeer van een uit-groep. Ik kan beargumenteren dat een te sterke in-groep zorgt voor afkeer van een uit-groep.
3. Kansen en kapitaal
C3.14.1 — uitleggen hoe verschillen in cultureel, sociaal en economisch kapitaal kunnen leiden tot sociale ongelijkheid; E3.27.4 — morele en ethische vragen stellen over in hoeverre het bevorderen van welvaart en welzijn bijdraagt aan rechtvaardigheid. C4.16.1 — deelnemen aan gesprekken en situaties waarin mensen die van hen of van elkaar verschillen met elkaar in interactie zijn;
Ik kan uitleggen hoe verschillen tussen mensen kunnen leiden tot ongelijke kansen Ik kan benoemen waarom groepen meer of minder cultureel, sociaal en economisch kapitaal hebben. Ik kan uitleggen hoe welvaart, welzijn en rechtvaardigheid met elkaar samenhangen Ik kan benomen waarom groepen meer of minder cultureel, sociaal en economisch kapitaal hebben.
4. Sociale ongelijkheid
C3.14.2 — beschrijven in welke mate er sprake is van sociale ongelijkheid in Nederland en de wereld; C3.14.3 — beschrijven van gevolgen van sociale ongelijkheid op het gebied van welvaart en welzijn; C4.16.2 — ervaringen opdoen met verschillende belevingswerelden, achtergronden en oriëntaties;
Ik kan beschrijven hoe inkomen, opleiding, gezondheid en kansen ongelijk verdeeld zijn in Nederland en andere landen. Ik kan uitleggen welke gevolgen sociale ongelijkheid heeft voor de welvaart van mensen. Ik kan uitleggen welke gevolgen sociale ongelijkheid heeft voor het welzijn van mensen. Ik kan aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe inkomen, opleiding, gezondheid en kansen ongelijk verdeeld zijn in Nederland en andere landen.
5. Wie is verantwoordelijk?
C3.14.4 — inventariseren welke rol actoren kunnen spelen bij het verminderen of vergroten van sociale ongelijkheid; E3.27.1 — benoemen van het dilemma tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid voor welvaart en welzijn; E3.27.2 — onderzoeken van verschillende opvattingen over de rol van de overheid, burger, maatschappelijk middenveld en bedrijven voor welvaart en welzijn;
Ik kan uitleggen hoe mensen en organisaties invloed hebben op sociale ongelijkheid. Ik kan uitleggen hoe mensen verschillend kunnen denken over verantwoordelijkheid voor welvaart en welzijn. Ik kan verschillende opvattingen over verantwoordelijkheid voor welvaart en welzijn vergelijken.
6. Beeld van ongelijkheid
C3.15.5 — analyseren van de invloed die AI heeft op sociale cohesie en sociale ongelijkheid. C3.13.5 — inventariseren van mogelijkheden om sociale cohesie te beïnvloeden.
Ik kan met voorbeelden uitleggen hoe sociale media, nieuwsmedia en online platforms invloed hebben op het handelen van mensen. Ik kan uitleggen wat de invloed is van media op de sociale cohesie. Ik kan verklaren waarom digitale technologie en AI sociale ongelijkheid kunnen vergroten.
Vraagstukken
1. Gratis lunch
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Schoolzwemmen
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Selectie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Energiedrank
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Energiedrank
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Eigen risico
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Sociale zekerheid
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Sociale zekerheid
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Sociale zekerheid
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Locatie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Locatie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Locatie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.

Rechtsstaat

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Recht voor jou
B1.9.3 — evalueren hoe recht conflicten reguleert tussen overheid en burgers en burgers onderling. E2.26.2 — inventariseren welke mogelijkheden de overheid, media, belangengroepen en groepen burgers hebben om de democratische rechtsstaat te beschermen; E4.29.3 — afwegen hoe eigen waarden, belangen en die van anderen in zulke situaties een rol spelen;
Ik kan uitleggen wat een rechtsstaat is. Ik kan beoordelen hoe goed het recht verschillende soorten conflicten regelt bij maatschappelijke vraagstukken. Ik kan bij een maatschappelijk vraagstuk een passende actie kiezen om rechten te beschermen.
Jouw rechten bij een bijbaan
2. Grondrechten
B1.8.1 — benoemen hoe de basiswaarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit terugkomen in mensenrechten; B1.8.2 — benoemen van verschillen tussen klassieke en sociale grondrechten; B1.8.3 — uitleggen dat grondrechten bedoeld zijn om willekeur en machtsmisbruik door de overheid tegen te gaan.
Ik kan uitleggen hoe democratische waarden zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit terugkomen in grondrechten. Ik kan verschillende soorten grondrechten onderscheiden. Ik kan uitleggen hoe grondrechten de macht van de overheid beperken.
3. Macht verdeeld
B1.9.2 — benoemen hoe de basiswaarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit terugkomen binnen wetten, machtenscheiding en rechtsstaat; E4.29.4 — verkennen welke mogelijkheden er zijn om in zulke situaties rechtvaardig te handelen;
Ik kan uitleggen hoe de scheiding der machten machtsmisbruik helpt voorkomen. Ik kan beargumenteren waarom het legaliteitsbeginsel belangrijk is in een rechtsstaat. Ik kan uitleggen hoe democratische waarden tot uiting komen in het legaliteitsbeginsel en de machtenscheiding. Ik kan beargumenteren met voorbeelden waarom het legaliteitsbeginsel belangrijk is in een rechtsstaat.
4. Veiligheid of vrijheid?
E2.25.2 — beredeneren waarom actoren verschillende keuzes maken binnen het dilemma rechtsbescherming en rechtshandhaving; E2.25.3 — uitleggen welke effecten rechtsbeschermend en rechtshandhavend handelen hebben bij overheidsoptreden; E4.29.5 — reflecteren op de eigen ervaring en het eigen handelen in situaties waarin onrecht wordt ervaren.
Ik kan uitleggen wanneer ik te maken heb met rechtshandhaving en rechtsbescherming. Ik kan uitleggen welke belangen en waarden een rol spelen bij rechtshandhaving en rechtsbescherming. Ik kan beschrijven welke gevolgen overheidsoptreden heeft voor burgers in een rechtsstaat. Ik kan uitleggen welke belangen en waarden een rol spelen tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming.
5. Opsporing: OM
E2.26.2 — inventariseren welke mogelijkheden de overheid, media, belangengroepen en groepen burgers hebben om de democratische rechtsstaat te beschermen; D2.18.4 — afwegen wanneer de overheid als hoogste gezag in een staat het geweldsmonopolie mag inzetten; E2.25.4 — morele en ethische vragen stellen bij voorbeelden van rechtsbeschermend of rechtshandhavend overheidsoptreden; E2.26.3 — beargumenteren of overheidsmaatregelen om de democratische rechtsstaat te beschermen rechtvaardig zijn.
Ik kan uitleggen waarom opsporing kan zorgen voor spanning tussen veiligheid en vrijheid. Ik kan beargumenteren welke rechten van burgers bij opspring in gevaar kunnen komen. Ik kan beoordelen of het gebruik van dwang door de politie en het Openbaar Ministerie bij opsporing rechtvaardig is.
6. Rechtszaak
E2.26.1 — beredeneren in hoeverre ontwikkelingen en actoren een bedreiging voor de democratische rechtsstaat vormen; E4.29.5 — reflecteren op de eigen ervaring en het eigen handelen in situaties waarin onrecht wordt ervaren.
Ik kan uitleggen hoe onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak zorgt voor rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. Ik kan uitleggen hoe druk van media, politiek of burgers op een rechtszaak een bedreiging voor eerlijke en onafhankelijke rechtspraak. Ik kan beargumenteren waarom burgerlijk recht en bestuursrecht een grote rol spelen bij maatschappelijke vraagstukken.
Vraagstukken
1. Taakstraf
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Hel of hotel?
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Levenslang? / TBS
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Katonrechter
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Spreekrecht
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Klassenjustitie / Rechter als wetgende macht
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Schelden met kanker
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Artikel 1
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Grenzen aan protest / Artikel 23
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Hoe crimineel is jouw woonplaats?
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Brabant drugslab
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Vuurwerk EU / Amerika
Leerdoelen nog niet vastgesteld.

Politiek

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Democratie?
B1.7.2 — onderzoeken hoe de basiswaarden van de democratische rechtsstaat zich tot elkaar en tot andere waarden verhouden; B1.7.1 — uitleggen dat vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit terugkomen in de democratische rechtsstaat; D2.19.1 — vergelijken van democratische stelsels met meer autoritaire politieke stelsels; D2.19.4 — analyseren van het verloop van verkiezingen en referenda in verschillende landen, waaronder Nederland; A1.2.1 — vergelijken van groepen, samenlevingen en politieke systemen naar tijd en plaats;
Ik kan uitleggen wat democratische waarden zijn. Ik kan democratische en autoritaire politieke stelsels vergelijken aan de hand van kenmerken van een democratie. Ik kan uitleggen welke rol verkiezingen hebben in een democratie. Ik kan uitleggen wat democratische waarden zijn in de context van verkiezingen. Ik kan uitleggen welke rol verkiezingen hebben binnen een democratie.
2. Nederland
B1.9.2 — benoemen hoe de basiswaarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit terugkomen binnen wetten, machtenscheiding en rechtsstaat; D2.19.2 — vergelijken van een constitutionele monarchie met een republiek, een parlementair met een presidentieel stelsel en vormen van meer directe of indirecte democratie; D2.19.3 — beoordelen in welke mate het Nederlandse politieke stelsel aan democratische kenmerken voldoet;
Ik kan de kenmerken van een constitutionele monarchie en een republiek benoemen Ik kan uitleggen wat de verschillen zijn tussen een parlementair stelsel en een presidentieel stelsel. Ik kan het Nederlandse politieke stelsel beoordelen aan de hand van de kenmerken van een democratie.
3. Stromingen
D3.22.3 — verbanden leggen tussen de standpunten van politieke partijen, politieke stromingen en politieke ideologieën: communisme, sociaaldemocratie, liberalisme, confessionalisme, fascisme, populisme en ecologisme; D3.22.4 — verbanden leggen tussen politieke ideologieën en de democratische waarden; B1.7.1 — uitleggen dat vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit terugkomen in de democratische rechtsstaat; D4.23.4 — afwegen hoe eigen belangen, waarden en opvattingen zich verhouden tot die van anderen en het collectieve belang;
Ik kan standpunten van politieke partijen koppelen aan politieke ideologieën. Ik kan de belangrijkste kenmerken van verschillende politieke ideologieën benoemen. Ik kan uitleggen hoe verschillende politieke ideologieën democratische waarden, zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit interpreteren.
4. Partijen
D3.22.1 — beschrijven van verschillende functies van politieke partijen; D3.22.2 — ordenen van politieke standpunten in verschillende indelingen: links en rechts op de sociaaleconomische en de sociaal-culturele dimensie, conservatief-progressief en internationalisme-nationalisme; D3.22.5 — beschouwen in hoeverre coalitievorming tussen politieke partijen mogelijk is op basis van hun standpunten, waarden, belangen en politieke ideologieën.
Ik kan benoemen wat de verschillende functies van politieke partijen zijn. Ik kan politieke standpunten indelen op basis van verschillende politieke dimensies. Ik kan beoordelen welke politieke partijen samen een coalitie kunnen vormen op basis van hun uitgangspunten.
5. Parlement
D3.20.1 — beschrijven van de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur en de volksvertegenwoordiging op het niveau van Rijk, provincie, gemeente, waterschappen en EU; D3.20.4 — beargumenteren in hoeverre een overheidsbesluit het algemeen belang dient en een maatschappelijk vraagstuk oplost D4.23.3 — verkennen welke mogelijkheden er zijn om draagvlak te zoeken en politieke invloed uit te oefenen;
Ik kan uitleggen wat de taken van de volksvertegenwoordiging op alle bestuursniveaus in Nederland en de EU zijn. Ik kan uitleggen wat de bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging op alle bestuursniveaus in Nederland en de EU zijn. Ik kan een kosten-batenanalyse maken van een overheidsbesluit over een maatschappelijk vraagstuk.
6. Regering
D3.20.2 — beschrijven van de rol van verschillende actoren bij de politieke besluitvorming; D3.20.3 — beargumenteren in welke mate politieke cultuur invloed heeft op politieke besluitvorming;
Ik kan uitleggen wat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur op alle bestuursniveaus in Nederland en de EU zijn. Ik kan uitleggen hoe een wet tot stand komt . Ik kan uitleggen waarom overleg en compromissen belangrijk zijn in de Nederlandse politieke besluitvorming.
Vraagstukken
1. Demonstratie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Monarchie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Waardering democratie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Links of rechts?
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Kiesdrempel
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Populisme
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. AnWB
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. LAKS
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Farmer Defense Force / Extinction rebellion
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Raadslid
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Gekozen burgemeester
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. België / Toekomst democratie in de wereld
Leerdoelen nog niet vastgesteld.

Macht en invloed

⋮⋮Les⋮⋮Onderwijsdoelen⋮⋮Leerdoelen⋮⋮Portfolio-opdracht
Lessen
1. Macht in een vraagstuk
D2.18.1 — uitleggen wat macht is en dat actoren over verschillende machtsmiddelen kunnen beschikken; D4.23.4 — afwegen hoe eigen belangen, waarden en opvattingen zich verhouden tot die van anderen en het collectieve belang;
Ik kan uitleggen wat machtsmiddelen zijn. Ik kan in een maatschappelijk vraagstuk herkennen welke machtsmiddelen worden ingezet. Ik kan in een maatschappelijk vraagstuk verschillende belangen tegen elkaar afwegen.
2. Invloed op beleid
D2.18.3 — inventariseren welke formele en informele mogelijkheden burgers en organisaties kunnen inzetten om het overheidsbeleid te beïnvloeden en macht te controleren. B1.8.2 — benoemen van verschillen tussen klassieke en sociale grondrechten; D4.23.1 — deelnemen aan situaties waarin politieke invloed op besluitvorming wordt uitgeoefend;
Ik kan uitleggen op welke manieren burgers en organisaties invloed kunnen uitoefenen op het overheidsbeleid. Ik kan in een maatschappelijk vraagstuk herkennen hoe burgers en organisaties proberen invloed uit te oefenen op het overheidsbeleid. Ik kan uitleggen hoe burgers, de overheid, media en maatschappelijke organisaties democratische waarden beschermen.
3. Media maken het vraagstuk
D3.21.1 — inzicht tonen in hoe medialogica een rol speelt in de wijze waarop media, publiek en politiek zich tot elkaar verhouden; D3.21.3 — aantonen hoe framing, selectie, agendavorming, algoritmes en echokamers van invloed zijn op politieke opvattingen en besluitvorming;
Ik kan uitleggen hoe media, publiek en politiek elkaar beïnvloeden. Ik kan in een maatschappelijk vraagstuk herkennen hoe publiek en politieke actoren traditionele media inzetten om invloed uit te oefenen. Ik kan uitleggen hoe framing, selectie en agendavorming politieke opvattingen en besluitvorming beïnvloeden.
4. Online beïnvloeding
" Ik kan uitleggen hoe platformmedia en digitale technologie politieke besluitvorming beïnvloeden. Ik kan uitleggen waarom vrije media belangrijk zijn voor een democratische rechtsstaat. Ik kan uitleggen hoe politieke actoren en burgers online media gebruiken om invloed uit te oefenen."
Ik kan uitleggen hoe platformmedia en digitale technologie politieke besluitvorming beïnvloeden. Ik kan uitleggen waarom vrije media belangrijk zijn voor een democratische rechtsstaat. Ik kan uitleggen hoe politieke actoren en burgers online media gebruiken om invloed uit te oefenen.
5. Wereldvraagstukken
E3.28.1 — benoemen welke rol en machtsmiddelen de EU, NAVO en de VN hebben binnen internationale verhoudingen; E3.28.3 — onderzoeken van dilemma’s van staten en internationale organisaties binnen internationale verhoudingen;
Ik kan uitleggen welke rol de EU, de NAVO en de VN hebben bij internationale vraagstukken. Ik kan uitleggen voor welke dilemma's landen en internationale organisaties staan bij internationale vraagstukken. Ik kan uitleggen welke invloed kenmerken van een land hebben op internationale vraagstukken.
6. Wereldhandel
E3.28.2 — beschrijven van de invloed van multinationals en media binnen internationale verhoudingen; E3.28.4 — morele en ethische vragen stellen over hoe rechtvaardig het handelen van actoren is.
Ik kan uitleggen welke verantwoordelijkheid multinationals en media hebben bij een maatschappelijk vraagstuk. Ik kan in een maatschappelijk vraagstuk herkennen hoe multinationals en media invloed uitoefenen. Ik kan uitleggen waarom mensen verschillend kunnen denken over de verantwoordelijkheid van multinationals.
Vraagstukken
1. Veiligheid Temu
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Dropshipping
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
1. Temu / Made in China
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. Ter Appel
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. AZC
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
2. COA / Migratiepact
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Ouderlijk toezicht online
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Data achterlaten online
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
3. Darkweb / Techgiganten
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Voedselbank
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. Tabaksindustrie
Leerdoelen nog niet vastgesteld.
4. NAVO / VN
Leerdoelen nog niet vastgesteld.