Verantwoording Methode M – Maatschappijleer, vmbo kader
Kolommen
Exporteer
Toelichting bij deze verantwoording
Dit document verantwoordt de lesstof uit Methode M in relatie tot de door de overheid gestelde doelen voor het vak maatschappijleer. De kerndoelen uit de eindtermen van maatschappijleer geven de leraar de vrijheid om naar eigen smaak en inzicht relevante onderwerpen te behandelen. Methode M speelt hierop in door de vier vaste modules (Samenleving, Politiek, Mediawijs en Criminaliteit) te verrijken met aanvullende thema’s, onderwerpen en opdrachten. Hoewel in deze verantwoording de vier vaste modules worden toegelicht, draagt ook de aanvullende lesstof altijd bij aan het realiseren van de (algemene) onderwijsdoelen.
De overheid stelt in het examenprogramma van maatschappijleer een aantal eisen aan de vaardigheden (basisvaardigheden en leervaardigheden) die bij maatschappijleer aan bod moeten komen. De leervaardigheden (ML1/K/3) komen aan bod in de aparte module Vraagstukken en worden in de vier vaste modules geoefend in de zogenaamde analyse-opdracht. De basisvaardigheden (ML1/K/2) komen doorlopend in deze methode terug in de verschillende kijk-, analyseer- en doe-opdrachten.
Daarnaast biedt Methode M ook de gelegenheid om aan de slag te gaan met burgerschap. Met de module Identiteit ga je samen met je leerlingen aan de slag over hun rol ten overstaande van de samenleving. Samen met de theorie uit de eerdere modules dek je een belangrijk deel van de burgerschapsdoelen van de overheid af.
In onderstaande tabel kunt u zien hoe de lesstof uit Methode M gekoppeld is aan de onderwijsdoelen voor het vak Maatschappijleer. De lesstof is uitgesplitst in leerdoelen en begrippen. De vakoverstijgende vaardigheden uit de preambule komen in deze methode veelvuldig terug; wanneer iets specifiek van toepassing is op een les, wordt dit expliciet benoemd. De kerndoelen komen terug in de voor leerlingen concrete onderwerpen: Samenleving, Politiek, Mediawijs en Criminaliteit. Voor de onderwerpen Politiek en Criminaliteit is de keuze gemaakt om vooruit te blikken op het examenvak maatschappijkunde. Binnen het thema Mediawijs vindt u het competentiemodel van mediawijs (opgesteld door Mediawijzer.net) terug.
Ik nodig u van harte uit om contact met mij op te nemen wanneer u aanvullingen heeft, onjuistheden ziet of een andere opmerking wilt maken. Een online methode biedt de prettige mogelijkheid om zaken direct aan te passen wanneer hiertoe aanleiding is.
Stef van der Linden
stef.vd.linden@uitgeverijneo.nl
https://over.methodem.nl
Vraagstukken
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Vraagstuk herkennen |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/4d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vr |
Weten wat een maatschappelijk vraagstuk is.
Uitleggen of een probleem ook een maatschappelijk vraagstuk is. |
||
2. Argumenten bedenken |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Weten wat een standpunt is en wat argumenten zijn.
Uitleggen hoe je een standpunt kunt innemen met behulp van argumenten. |
Oefenen met argumenteren |
|
3. Analyseren |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren. |
||
4. Invalshoeken |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/4d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures die horen bij de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in informatiebronnen over een maatschappelijk vr |
Weten wat de invalshoeken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je deze invalshoeken kunt toepassen bij een analyse. |
||
Analyses | ||||
Analyse: Femicide |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
||
Analyse: AI |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
||
Analyse: Code Rood |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Zelfstandig een standpunt innemen met behulp van argumenten. |
||
Analyse: Knokke(n) |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Zelfstandig een standpunt innemen met behulp van argumenten. |
||
Samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De maatschappij |
ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan;
ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken |
Uitleggen waarom er regels nodig zijn in de samenleving.
Weten wat omgangsvormen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat waarden en normen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen dat mensen verschillende belangen hebben, wat belangentegenstellingen zijn en hierbij voorbeelden kunnen noemen. |
Belang
Belangentegenstelling
Samenleven
Norm
Fatsoen
Waarde
Omgangsvormen |
|
2. Socialisatie |
ML1/K/4/5a — De kandidaat kan beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving en de invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven;
ML1/K/4/5c — De kandidaat kan de rol van onderwijs (als socialiserende instantie) beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving. |
Weten welke discussie er is rondom aangeboren en aangeleerde eigenschappen.
Uitleggen hoe mensen zich aanpassen aan de samenleving door middel van het socialisatieproces.
Uitleggen welke rol socialiserende instituties hebben in het socialisatieproces. |
Aangeboren eigenschappen
Aangeleerde eigenschappen |
|
3. Cultuur |
ML1/K/4/5b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heefet op het gedrag en socialisatieproces; |
Weten wat cultuur is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen waarom mensen bij een (sub)cultuur willen horen.
Uitleggen waarom cultuuroverdracht een belangrijk onderdeel is van het socialisatieproces. |
Tradities
Socialisatie
Cultuur
Gewoonte
Internalisatie
Feestdag
Norm
Dominante cultuur
Waarde
Subcultuur
Cultuuroverdracht
Omgangsvormen
Socialiserende institutie |
|
4. Multiculturele samenleving |
1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in
internationaal verband. |
Uitleggen dat Nederland een multiculturele samenleving is.
Weten welke redenen er zijn voor migratie.
Uitleggen welke rol de overheid heeft bij de integratie van migranten. |
Multiculturele samenleving
Cultuur
Migranten
Feestdag
Integratie
Discriminatie |
|
5. Sociale ongelijkheid |
ML1/K/5/7a — De kandidaat kan met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven/uitleggen hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen (sociale mobilitei
ML1/K/5/7c — De kandidaat kan overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren. |
Weten hoe een maatschappelijke positie tot stand komt.
Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze tot discriminatie kunnen leiden.
Weten welke minderheidsgroepen er zijn. |
Kansarm
Kansrijk |
|
6. Gelijke kansen |
ML1/K/7/11b — De kandidaat kan beschrijven hoe men uitingen van vooroordelen en discriminatie tegemoet kan treden vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect; |
Uitleggen hoe iemand kan veranderen van maatschappelijke positie.
Uitleggen wat de overheid doet aan het bestrijden van sociale ongelijkheid.
Uitleggen hoe we door middel van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen samenleven. |
Sociale mobiliteit
Tolerantie
Vooroordeel
Samenleven
Sociale ongelijkheid
Maatschappelijke positie
Discriminatie
Kansrijk
Kansarm
Gelijkwaardig |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Etnisch profileren |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Discriminatie |
|
Kijken: Het Grote Hokjesexperiment |
ML1/K/7/10c — De kandidaat kan voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is |
Uitleggen wat vooroordelen zijn.
Uitleggen hoe vooroordelen discriminatie veroorzaken.
Uitleggen welke invloed vooroordelen hebben op mensen waar veel vooroordelen over zijn. |
Tradities
Vooroordeel
Cultuur
Sociale ongelijkheid
Feestdag
Norm
Dominante cultuur
Subcultuur
Discriminatie |
|
Maken: Culturenkalender |
ML1/K/4/4b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag |
Uitleggen dat iedere cultuur andere cultuurkenmerken heeft. |
Cultuur
Feestdag |
|
Doen: Oma/opa, mam/pap en jij? |
ML1/K/4/5b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heefet op het gedrag en socialisatieproces; |
Uitleggen dat iedere generatie een ander socialisatieproces heeft. |
Socialisatie
Cultuur |
|
Politiek
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is politiek? |
ML1/K/6/9a — De kandidaat kan vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren |
Weten wat politiek is.
Uitleggen hoe de macht in Nederland is verdeeld.
Uitleggen dat de Grondwet belangrijk is voor een rechtsstaat. |
Regering
Parlement |
|
2. Democratie |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten welke rol burgers spelen in een democratie.
Weten welke bestuurslagen we in Nederland hebben.
Uitleggen dat we in Nederland een parlementaire democratie hebben. |
Regering
Kabinet
Parlement
Parlementaire democratie
Minister
Politiek
Volksvertegenwoordigers
Algemeen belang
Democratie
Rechtsstaat
Tweede Kamer
Bestuurslaag
Macht hebben
Politieke besluitvorming |
|
3. Politieke partijen |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten wat een politieke partij is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van politieke partijen.
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting. |
Progressief
Conservatief
Links
Rechts |
|
4. Kabinet en parlement |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten wat de taken van kabinet en parlement zijn.
Weten wat het verschil is tussen coalitie en oppositie.
Uitleggen waarom het kabinet het parlement nodig heeft. |
Regering
Kabinet
Minister-president
Coalitie
Parlement
Minister
Politiek
Progressief
Ministerie
Staatssecretaris
Volksvertegenwoordigers
Politieke partij
Grondwet
Fractie
Democratie
Eerste Kamer
Tweede Kamer
Ambtenaar
Oppositie |
|
5. Hoe komt een wet tot stand? |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten welke rol ambtenaren spelen bij politieke besluitvorming.
Uitleggen hoe we in Nederland regels en wetten maken.
Uitleggen waarom in Nederland er vaak een compromis nodig is. |
Regering
Kabinet
Coalitie
Parlement
Compromis
Minister
Politiek
Ministerie
Staatssecretaris
Politieke agenda
Volksvertegenwoordigers
Politieke partij
Eerste Kamer
Tweede Kamer
Politieke besluitvorming |
|
6. Invloed op de politiek |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten hoe mensen invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat belangengroepen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke machtsmiddelen er zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Belangengroep
Politiek
Recht
Lobbyen
Politieke partij
Tweede Kamer
Politieke besluitvorming |
|
Quiz: Welke politicus ben jij? |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Politiek
Progressief
Recht |
||
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Klimaatverandering |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Weten wat de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen waarom de overheid maatregelen neemt tegen klimaatverandering.
Uitleggen wat jij vindt dat de overheid moet doen tegen klimaatverandering. |
Regering
Kabinet
Politiek
Recht
Verkiezingsprogramma
Politieke partij |
|
Kijken: Nederland Polderland |
Uitleggen uit welke fases het politieke besluitvormingsproces bestaat.
Weten wat een compromis is.
Toelichten dat politici niet altijd hun beloften kunnen nakomen. |
Kabinet
Compromis
Politiek
Politieke partij
Tweede Kamer |
||
Maken: Partijenkwartet |
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting. |
Actieve overheid
Politiek
Progressief
Recht
Conservatief
Politieke partij
Passieve overheid |
||
Doen: Je eigen partij |
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op links/rechts en progressief/conservatief.
Uitleggen dat politieke partijen mensen proberen te overtuigen van hun standpunten. |
Politiek
Progressief
Recht
Conservatief
Politieke partij |
||
Mediawijs
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Massamedia |
Media doorgronden.
Functies van de media.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming. |
Weten wat communicatie is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat het verschil is tussen media en massamedia.
Weten welke functies media hebben en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat medialisering is en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Medium
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Journalist
Massamedia
Amusementsfunctie
Medialisering
Media
Informatiefunctie
Agendafunctie |
|
2. Journalistiek |
Media doorgronden.
3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming.
Overheid en media. |
Uitleggen welke rollen er in de journalistiek zijn.
Uitleggen waarom journalistiek belangrijk is in onze samenleving.
Uitleggen wat persvrijheid is. |
Journalist
Verslaggever
Redactiemedewerker
Persbureaumedewerker |
|
3. Medialandschap |
Media doorgronden.
Overheid en media. |
Weten hoe het medialandschap van Nederland in elkaar zit.
Uitleggen hoe commerciële media hun geld verdienen.
Uitleggen dat media zich richten op doelgroepen en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Nederlandse Publieke Omroep (NPO)
Commerciële media |
|
4. Jouw data op het internet |
Reflecteren op mediagebruik. |
Uitleggen waarom jouw data op het internet van belang zijn voor mediabedrijven.
Weten wat selectieve waarneming is.
Weten wat een filterbubbel is.
Weten hoe selectieve waarneming en een filterbubbel kunnen leiden tot complottheorieën. |
Privacy
Cookie
Algoritme
Selectieve waarneming
Journalist
Doelgroep
Massamedia
Media
Rolpatroon
Filterbubbel
Nepnieuws
Complottheorie |
|
5. Beeldvorming |
ML1/K/7/10d — De kandidaat kan van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.
ML1/K/7/10b — De kandidaat kan uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen
ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; |
Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Uitleggen wat rolpatronen en stereotypen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe de media discriminatie kunnen versterken.
Uitleggen hoe je vooroordelen en stereotypen kunt herkennen en tegengaan. |
Stereotype
Beeldvorming
Selectieve waarneming
Journalist
Vooroordeel
Discriminatie
Media
Rolpatroon |
|
6. Omgaan met media |
1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie.
1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media.
Media doorgronden.
Reflecteren op mediagebruik. |
Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Herkennen wanneer een bron wel of niet betrouwbaar is.
Uitleggen welke gevaren er schuilen in kunstmatige intelligentie. |
Persvrijheid
Beeldvorming
Selectieve waarneming
Journalist
Burgerjournalistiek
Medialisering
Media
Nepnieuws
Kunstmatige intelligentie |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Online privacy |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Privacy
Cookie
Media |
|
Kijken: De Dikke Datashow |
ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; |
Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben.
Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Weten welke functies media hebben. |
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Beeldvorming
Doelgroep
Medialisering
Media
Publieke omroep |
|
Maken: NieuwsVandaag |
Uitleggen hoe een nieuwsbericht wordt gemaakt. |
Journalist
Doelgroep |
||
Doen: DIY Infotainmentvlog |
Uitleggen wat infotainment is. |
|||
Criminaliteit
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? |
ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken |
Uitleggen wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat het verschil is tussen immateriële gevolgen en materiële gevolgen.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit en hier voorbeelden bij noemen.
Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is. |
Overtredingen
Misdrijven
Materiële gevolgen
Immateriële gevolgen |
|
2. Redenen voor criminaliteit |
ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan; |
Uitleggen welke risicofactoren een rol spelen bij het ontstaan van strafbaar gedrag.
Uitleggen welke beschermende factoren een rol spelen bij het tegengaan van strafbaar gedrag.
Weten dat de meeste criminaliteit gepleegd wordt door jongeren. |
Openbaar Ministerie
Regel
Criminaliteit
Proces-verbaal |
|
3. De rechtsstaat |
ML1/K/6/9a — De kandidaat kan vormen van macht en machtsmiddelen herkennen, beschrijven en verklaren |
Weten welke rechtsbescherming je hebt in een rechtsstaat.
Weten waarom de scheiding van machten belangrijk is in een rechtsstaat.
Weten welke rechten een verdachte heeft. |
Wetgevende macht
Uitvoerende macht
Rechterlijke macht |
|
4. De politie en de officier van justitie |
8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat. |
Weten welke taken de politie heeft en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke taken de officier van justitie heeft en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe een officier van justitie een strafbaar feit kan afhandelen. |
Strafbeschikking
Openbaar Ministerie
Vervolgen
Overtreding
Seponeren
Regel
Criminaliteit
Officier van justitie
Proces-verbaal
Schikken
Rechtsbescherming |
|
5. Een rechtszaak |
8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat.
8.5 De kandidaat kan de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden. |
Weten welke verschillende rechters er zijn.
Weten hoe een rechter tot zijn vonnis komt.
Uitleggen hoe een rechtszaak in zijn werk gaat. |
Kantonrechter
Politierechter
Meervoudige kamer
Gerechtshof
Hoge Raad |
|
6. Jeugdcriminaliteit |
ML1/K/5/7c — De kandidaat kan overheidsbeleid ten aanzien van sociale ongelijkheid beschrijven en verklaren. |
Weten wat ondermijning is.
Uitleggen wat het jeugdstrafrecht is.
Weten wat het doel van bureau Halt is. |
Openbaar Ministerie
Regel
Criminaliteit
Ondermijning
Jeugdstrafrecht
Halt-straf |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Gedoogbeleid |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Regel
Criminaliteit |
|
Kijken: Danny op straat |
Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten welke rol media spelen bij criminaliteit. |
Misdrijf
Overtreding
Criminaliteit |
||
Maken: Preventieposter |
Weten dat preventie een taak van de politie is.
Uitleggen hoe je een vorm van criminaliteit kan voorkomen. |
Criminaliteit |
||
Doen: Interview over criminaliteit |
ML1/K/5/7b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen dat mensen vanuit hun maatschappelijke posities belangen hebben en hoe daardoor conflicten kunnen ontstaan; |
Uitleggen hoe de door jouw geïnterviewde persoon een aandeel heeft in het bestrijden van criminaliteit. |
Criminaliteit
Officier van justitie |
|