Verantwoording Methode M – Maatschappijleer, vmbo basis
Kolommen
Exporteer
Toelichting bij deze verantwoording
Dit document verantwoordt de lesstof uit Methode M in relatie tot de door de overheid gestelde doelen voor het vak maatschappijleer. De kerndoelen uit de eindtermen van maatschappijleer geven de leraar de vrijheid om naar eigen smaak en inzicht relevante onderwerpen te behandelen. Methode M speelt hierop in door de vier vaste modules (Samenleving, Politiek, Mediawijs en Criminaliteit) te verrijken met aanvullende thema’s, onderwerpen en opdrachten. Hoewel in deze verantwoording de vier vaste modules worden toegelicht, draagt ook de aanvullende stof bij aan het realiseren van de onderwijsdoelen.
De overheid stelt in de syllabus van maatschappijleer een aantal eisen aan de vaardigheden (basisvaardigheden en leervaardigheden) die bij maatschappijleer aan bod moeten komen. De leervaardigheden (ML1/K/3) komen aan bod in de aparte module Vraagstukken en worden in de vier vaste modules geoefend in de zogenaamde analyse-opdracht. De basisvaardigheden (ML1/K/2) komen doorlopend in deze methode terug in de verschillende kijk-, analyseer- en doe-opdrachten.
Daarnaast biedt Methode M ook de gelegenheid om aan de slag te gaan met burgerschap. Met de module Identiteit ga je samen met je leerlingen aan de slag over hun rol ten overstaande van de samenleving. Samen met de theorie uit de eerdere modules dek je een belangrijk deel van de burgerschapsdoelen van de overheid af.
In onderstaande tabel kunt u zien hoe de lesstof uit Methode M gekoppeld is aan de onderwijsdoelen voor het vak Maatschappijleer. De lesstof is uitgesplitst in leerdoelen en begrippen. De vakoverstijgende vaardigheden uit de preambule komen in deze methode veelvuldig terug; wanneer iets specifiek van toepassing is op een les, wordt dit expliciet benoemd. De kerndoelen komen terug in de voor leerlingen concrete onderwerpen: Samenleving, Politiek, Mediawijs en Criminaliteit. Voor de onderwerpen Politiek en Criminaliteit is de keuze gemaakt om vooruit te blikken op het examenvak maatschappijkunde. Binnen het thema Mediawijs vindt u het competentiemodel van mediawijs (opgesteld door Mediawijzer.net) terug.
Ik nodig u van harte uit om contact met mij op te nemen wanneer u aanvullingen heeft, onjuistheden ziet of een andere opmerking wilt maken. Een methode biedt de mogelijkheid om zaken direct aan te passen wanneer hiertoe aanleiding is.
Stef van der Linden
stef.vd.linden@uitgeverijneo.nl
https://over.methodem.nl
Vraagstukken
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Vraagstuk herkennen |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen;
ML2/K/3/3c — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot de principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijkunde herkennen in een tekst over een maatschappelijk vraagstuk of verschi |
Weten wat een maatschappelijk vraagstuk is.
Uitleggen of een probleem ook een maatschappelijk vraagstuk is. |
||
2. Argumenten bedenken |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Weten wat een standpunt is en wat argumenten zijn.
Uitleggen hoe je een standpunt kunt innemen met behulp van argumenten. |
Oefenen met argumenteren |
|
3. Analyseren |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren. |
||
4. Invalshoeken |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Weten wat de invalshoeken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je deze invalshoeken kunt toepassen bij een analyse. |
||
Analyses | ||||
Analyse: Femicide |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
||
Analyse: AI |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
||
Analyse: Code Rood |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Een standpunt geven en daarbij een eenvoudig argument bedenken. |
||
Analyse: Knokke(n) |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven.
ML2/K/3/3d — De kandidaat kan strategische vaardigheden toepassen die bijdragen tot een standpunt innemen met betrekking tot een concreet maatschappelijk vraagstuk en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Een standpunt geven en daarbij een eenvoudig argument bedenken. |
||
Samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De maatschappij |
ML1/K/5/6b — De kandidaat kan voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen
ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken |
Uitleggen waarom er regels nodig zijn in de samenleving.
Weten wat waarden en normen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat belangen zijn en wat een belangentegenstelling is en hierbij voorbeelden kunnen noemen. |
Waarden
Belangen
Normen
Belangentegenstelling |
|
2. Socialisatie |
ML1/K/4/4a — De kandidaat kan beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van de samenleving
ML1/K/4/4c — De kandidaat kan de rol van onderwijs beschrijven in de ontwikkeling van een mens als lid van de samenleving. |
Uitleggen of een eigenschap aangeboren of aangeleerd is.
Uitleggen wat socialisatie is. |
Aangeboren eigenschappen
Aangeleerde eigenschappen
Socialisatie |
|
3. Cultuur |
ML1/K/4/4b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag |
Weten wat cultuur is en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen waarom mensen bij een (sub)cultuur willen horen. |
Cultuur
Gewoonten
Feestdagen
Tradities
Dominante cultuur
Subcultuur |
|
4. Multiculturele samenleving |
1.4 het functioneren als democratisch burger in een multiculturele samenleving, ook in
internationaal verband. |
Uitleggen dat Nederland een multiculturele samenleving is.
Weten waarom mensen naar Nederland toe komen.
Uitleggen welke rol de overheid heeft bij integratie. |
Multiculturele samenleving
Migranten
Integreren |
|
5. Sociale ongelijkheid |
ML1/K/5/6a — De kandidaat kan met voorbeelden beschrijven wat sociale verschillen zijn en hoe die veroorzaakt worden, en beschrijven hoe de plaats van een mens op de maatschappelijke ladder kan veranderen
ML1/K/5/6c — De kandidaat kan maatregelen van de overheid ten aanzien van sociale ongelijkheid noemen. |
Weten wat sociale ongelijkheid is.
Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze voor discriminatie kunnen zorgen.
Weten wat minderheidsgroepen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Kansarm
Kansrijk
Sociale ongelijkheid
Vooroordelen
Discriminatie |
|
6. Gelijke kansen |
ML1/K/7/10c — De kandidaat kan voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is |
Weten wat een maatschappelijke positie is.
Uitleggen hoe iemand kan veranderen van maatschappelijke positie.
Weten wat de overheid doet aan het tegengaan van sociale ongelijkheid. |
Maatschappelijke positie |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Etnisch profileren |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Discriminatie |
|
Kijken: Het Grote Hokjesexperiment |
ML1/K/7/10c — De kandidaat kan voorbeelden noemen van vooroordelen en discriminatie, beschrijven hoe deze ontstaan en aangeven wat er tegen te doen is |
Uitleggen wat vooroordelen zijn.
Uitleggen hoe vooroordelen discriminatie veroorzaken.
Uitleggen welke invloed vooroordelen hebben op mensen waar veel vooroordelen over zijn. |
Dominante cultuur
Discriminatie
Vooroordeel
Norm
Feestdag
Subcultuur
Sociale ongelijkheid
Cultuur
Tradities |
|
Maken: Culturenkalender |
ML1/K/4/4b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heeft op het gedrag |
Uitleggen dat iedere cultuur andere cultuurkenmerken heeft. |
Feestdag
Cultuur |
|
Doen: Oma/opa, mam/pap en jij? |
ML1/K/4/5b — De kandidaat kan uitleggen dat mensen bij een subcultuur (willen) horen en dat elke subcultuur invloed heefet op het gedrag en socialisatieproces; |
Uitleggen dat iedere generatie een ander socialisatieproces heeft. |
Socialisatie
Cultuur |
|
Politiek
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is politiek? |
ML1/K/6/8a — De kandidaat kan vormen van macht herkennen |
Weten wat politiek is.
Weten hoe de macht in Nederland is verdeeld.
Uitleggen dat de Grondwet belangrijk is voor een rechtsstaat. |
Politiek
Grondwet
Rechten
Plichten
Rechtsstaat |
|
2. Democratie |
ML1/K/6/8c — De kandidaat kan beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen. |
Weten welke rol burgers spelen in een democratie.
Weten wat een parlementaire democratie is.
Uitleggen wat het verschil is tussen een persoonlijk en algemeen belang. |
Politieke besluitvorming
Volksvertegenwoordiger
Parlementaire democratie
Algemeen belang
Tweede Kamer |
|
3. Politieke partijen |
ML1/K/6/8c — De kandidaat kan beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen. |
Weten wat een politieke partij is en hiervan enkele voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting en de rol van de overheid. |
Progressief
Conservatief
Links
Rechts
Politieke partij |
|
4. Kabinet en parlement |
ML1/K/6/8c — De kandidaat kan beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen. |
Weten wat de taken van het kabinet zijn en hiervan enkele voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat de taken van de Tweede Kamer zijn.
Uitleggen waarom het kabinet het parlement nodig heeft. |
Kabinet
Ministers
Staatssecretarissen
Parlement
Minister-president
Ambtenaren |
|
5. Hoe komt een wet tot stand? |
ML1/K/6/8c — De kandidaat kan beschrijven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen. |
Uitleggen hoe we in Nederland regels en wetten maken.
Uitleggen waarom er in Nederland vaak compromissen nodig zijn. |
Compromis |
|
6. Invloed op de politiek |
ML1/K/6/9c — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op de politiek, en kenmerken van een parlementaire democratie noemen, herkennen en toelichten. |
Weten hoe mensen in Nederland invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming.
Weten wat belangengroepen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Lobbyen |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Klimaatverandering |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Weten wat de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen waarom de overheid maatregelen neemt tegen klimaatverandering.
Uitleggen wat jij vindt dat de overheid moet doen tegen klimaatverandering. |
Recht
Politiek
Kabinet
Politieke partij |
|
Kijken: Nederland Polderland |
Uitleggen uit welke fases het politieke besluitvormingsproces bestaat.
Weten wat een compromis is.
Toelichten dat politici niet altijd hun beloften kunnen nakomen. |
Politiek
Tweede Kamer
Kabinet
Compromis
Politieke partij |
||
Maken: Partijenkwartet |
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op politieke richting. |
Recht
Progressief
Conservatief
Politiek
Politieke partij |
||
Doen: Je eigen partij |
Uitleggen hoe we politieke partijen indelen op links/rechts en progressief/conservatief.
Uitleggen dat politieke partijen mensen proberen te overtuigen van hun standpunten. |
Recht
Progressief
Conservatief
Politiek
Politieke partij |
||
Mediawijs
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Massamedia |
Media doorgronden.
Functies van de media.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming. |
Uitleggen wat het verschil is tussen media en massamedia.
Weten welke functies media hebben en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen wat medialisering is en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Medium
Media
Massamedia
Amusementsfunctie
Informatiefunctie
Infotainmentfunctie
Meningsvormende functie
Socialiserende functie
Medialisering |
|
2. Journalistiek |
Media doorgronden.
3.1 informatie beoordelen op betrouwbaarheid, representativiteit en bruikbaarheid, informatie verwerken en benutten.
Rol van media op terrein van democratische besluitvorming.
Overheid en media. |
Uitleggen welke beroepen er in de journalistiek zijn.
Uitleggen waarom journalistiek belangrijk is in onze samenleving.
Uitleggen wat persvrijheid is. |
Journalist
Verslaggever
Redactie
Persbureau
Persvrijheid |
|
3. Medialandschap |
Media doorgronden.
Overheid en media. |
Weten hoe het medialandschap van Nederland in elkaar zit.
Uitleggen hoe commerciële media hun geld verdienen.
Uitleggen dat media zich richten op doelgroepen en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Nederlandse Publieke Omroep (NPO)
Commerciële media
Publieke omroep
Commercieel
Doelgroep |
|
4. Jouw data op het internet |
Reflecteren op mediagebruik. |
Uitleggen waarom jouw data op het internet van belang zijn voor mediabedrijven.
Uitleggen wat voor- en nadelen van een algoritme zijn.
Weten hoe het komt dat iedereen andere beelden ziet online. |
Cookie
Privacy
Algoritme |
|
5. Beeldvorming |
ML1/K/7/10d — De kandidaat kan van een bepaald sociaal probleem beschrijven hoe de beeldvorming erover tot stand komt/gekomen is.
ML1/K/7/10b — De kandidaat kan uitingen van vooroordelen en beeldvorming ten aanzien van mannen en vrouwen in de samenleving herkennen en benoemen
ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; |
Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Uitleggen wat rolpatronen en stereotypen zijn en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen hoe de media discriminatie kunnen versterken. |
Beeldvorming
Rolpatroon
Stereotype
Vooroordeel
Discriminatie |
|
6. Omgaan met media |
1.6 de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling, waaronder met name moderne informatie- en communicatietechnologie.
1.8 de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur, waaronder ook de media. |
Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben.
Herkennen wanneer een bron betrouwbaar is.
Uitleggen welke gevaren kunstmatige intelligentie heeft. |
Burgerjournalistiek
Nepnieuws
Kunstmatige intelligentie |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Online privacy |
ML1/K/3/3a — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk principes en procedures van de benaderingswijze van het vak maatschappijleer toepassen; |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Media
Privacy
Cookie |
|
Kijken: De Dikke Datashow |
ML1/K/7/11a — De kandidaat kan aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming; |
Weten welke vervelende persoonlijke gevolgen medialisering kan hebben.
Weten dat beeldvorming door de media een rol speelt in onze samenleving.
Weten welke functies media hebben. |
Doelgroep
Media
Meningsvormende functie
Medialisering
Socialiserende functie
Beeldvorming
Publieke omroep |
|
Maken: NieuwsVandaag |
Uitleggen hoe een nieuwsbericht wordt gemaakt. |
Doelgroep
Journalist |
||
Doen: DIY Infotainmentvlog |
Uitleggen wat infotainment is. |
|||
Criminaliteit
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? |
ML1/K/6/9b — De kandidaat kan beschrijven en uitleggen hoe regels het samenleven van mensen mogelijk maken |
Uitleggen waarom criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is.
Weten wat het verschil is tussen immateriële gevolgen en materiële gevolgen.
Uitleggen wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen. |
Overtredingen
Misdrijven
Criminaliteit
Overtreding
Misdrijf
Immateriële gevolgen
Materiële gevolgen |
|
2. Redenen voor criminaliteit |
ML1/K/5/6b — De kandidaat kan voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen |
Uitleggen welke risicofactoren een rol spelen bij het ontstaan van strafbaar gedrag.
Uitleggen welke beschermende factoren een rol spelen bij het tegengaan van strafbaar gedrag. |
Criminaliteit |
|
3. De rechtsstaat |
ML1/K/6/8a — De kandidaat kan vormen van macht herkennen |
Weten wat rechtsbescherming is.
Weten welke rechten een verdachte heeft. |
Rechtsstaat
Grondwet |
|
4. De politie en de officier van justitie |
8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat. |
Weten welke taken de politie heeft en hierbij voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat een proces-verbaal inhoudt.
Uitleggen hoe een officier van justitie een strafbaar feit kan afhandelen. |
Officier van justitie
Proces-verbaal
Seponeren
Schikken
Strafbeschikking
Vervolgen |
|
5. Een rechtszaak |
8.2.3 de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat.
8.5 De kandidaat kan de doelen van straffen en maatregelen onderscheiden. |
Uitleggen hoe een rechtszaak in zijn werk gaat.
Weten welke soorten straffen er zijn. |
Requisitoir
Pleidooi
Vonnis
Hechtenis |
|
6. Jeugdcriminaliteit |
ML1/K/5/6c — De kandidaat kan maatregelen van de overheid ten aanzien van sociale ongelijkheid noemen. |
Weten wat ondermijning is.
Uitleggen wat het jeugdstrafrecht is.
Weten wat het doel van bureau Halt is. |
Ondermijning
Jeugdstrafrecht
Halt-straf |
|
Praktische opdrachten | ||||
Analyse: Gedoogbeleid |
ML1/K/3/3b — De kandidaat kan met betrekking tot een maatschappelijk vraagstuk een standpunt innemen en hier argumenten voor geven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten hoe je een standpunt moet innemen met behulp van argumenten. |
Criminaliteit |
|
Kijken: Danny op straat |
Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten welke rol media spelen bij criminaliteit. |
Misdrijf
Criminaliteit
Hechtenis
Overtreding |
||
Maken: Preventieposter |
Weten dat preventie een taak van de politie is.
Uitleggen hoe je een vorm van criminaliteit kan voorkomen. |
Criminaliteit |
||
Doen: Interview over criminaliteit |
ML1/K/5/6b — De kandidaat kan voorbeelden geven van belangen van mensen in een bepaalde maatschappelijke positie en van conflicten die daarmee samenhangen |
Uitleggen hoe de door jouw geïnterviewde persoon een aandeel heeft in het bestrijden van criminaliteit. |
Criminaliteit
Officier van justitie |
|