Schooljaar 2026/2027 Laatst gewijzigd 25-08-2026

Verantwoording Methode M – Maatschappijkunde, vmbo kader

Kolommen
Exporteer
Toelichting bij deze verantwoording

Dit document verantwoordt de lesstof uit Methode M in relatie tot de door de overheid gestelde doelen voor het vak maatschappijkunde. Voor maatschappijkunde geldt het examenprogramma en daarnaast een uitwerking middels een syllabus voor de onderwerpen die via het centraal eindexamen getoetst worden. Dit betekent dat we als methodemakers meer vrijheden kennen bij de modules Mens en werk, De multiculturele samenleving en Massamedia, dan bij de modules Politiek en beleid, Criminaliteit en rechtsstaat.

De overheid stelt in het examenprogramma van maatschappijleer een aantal eisen aan de vaardigheden (basisvaardigheden en leervaardigheden) die bij maatschappijleer aan bod moeten komen. De leervaardigheden (ML2/K/3) en basisvaardigheden (ML2/K/2) komen doorlopend in deze methode terug in de verschillende kijk-, analyseer- en doe-opdrachten.

In onderstaande tabel kunt u zien hoe de lesstof uit Methode M gekoppeld is aan de onderwijsdoelen voor het vak maatschappijkunde. De lesstof is uitgesplitst in leerdoelen en begrippen. De vakoverstijgende vaardigheden uit de preambule komen in onze methode veelvuldig terug.

Ik nodig u van harte uit om contact met mij op te nemen wanneer u aanvullingen heeft, onjuistheden ziet of een andere opmerking wilt maken. Een online methode biedt de prettige mogelijkheid om zaken direct aan te passen wanneer hiertoe aanleiding is.

Rosanne Salimi

Stef van der Linden

info@methodem.nl https://over.methodem.nl

Mens en werk

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. Waarom werken we?
ML2/K/5/8a — De kandidaat kan de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf.
Uitleggen waarom mensen werken. Uitleggen wat de kenmerken van een bedrijfscultuur zijn. Weten dat je binnen het werk soms voor moeilijke kwesties komt te staan.
Leiderschapsstijlen Werkgeluk Bedrijfscultuur Vakbond Arbeidsmarkt
2. De arbeidsmarkt verandert
ML2/K/5/8e — De kandidaat kan oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren.
Weten dat er een arbeidsverdeling is. Weten wat de oorzaken en gevolgen zijn van werkloosheid. Weten waarom de arbeidsmarkt verandert. Uitleggen waarom de verschillende ontwikkelingen maatschappelijke vraagstukken zijn.
Seizoenswerkloosheid Maatschappelijk vraagstuk Arbeidsverdeling Maatschappelijke positie Conjuncturele werkloosheid Structurele werkloosheid Werkgelegenheid Mechanisering Digitalisering Robotisering Arbeidsmarkt Automatisering Werkloosheid Verzorgingsstaat
3. Maatschappelijke positie
ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving.
Uitleggen dat werk verschillend wordt gewaardeerd. Uitleggen dat arbeidsverdeling invloed heeft op de sociale ongelijkheid.
Kansrijk Arbeidsverdeling Maatschappelijke positie Vitaal beroep Sociale mobiliteit Sociale ongelijkheid Kansarm Arbeidsmarkt
4. Sociale zekerheid
ML2/K/5/8b — De kandidaat kan de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven. ML2/K/5/8d — De kandidaat kan een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland.
Weten wat de overheid doet op het gebied van de sociale zekerheid. Uitleggen hoe de overheid de verzorgingsstaat betaalt. Uitleggen hoe de werkgevers, werknemers en de overheid met elkaar proberen samen te werken.
Algemene Ouderdomswet (AOW) Algemene nabestaandenwet (ANW) Algemene Kinderbijslagwet (AKW) Werkloosheidswet (WW) Ziektewet (ZW) Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) Participatiewet/de bijstand Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (afkorting: Wajong) Werknemers Werkgevers Arbeidsomstandigheden Arbeidsvoorwaarden

De multiculturele samenleving

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. De multiculturele samenleving
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven.
Uitleggen waarom Nederland een multiculturele samenleving is. Uitleggen waarom de multiculturele samenleving een maatschappelijk vraagstuk is. Uitleggen welke visies er zijn op de multiculturele samenleving.
Verschillende waarden Verschillende normen Verschillende gewoonten Verschillende tradities Verschillende feestdagen
2. Migratie
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven.
Weten wat een migratieachtergrond is. Uitleggen welke migratiemotieven er zijn. Uitleggen dat de samenstelling van de Nederlandse bevolking verandert.
Emigrant Inburgeringscursus Migratieachtergrond Arbeidsmigrant Immigrant Gezinsmigratie Migratie Asielzoeker Gezinshereniging Asielmigratie Migratiemotieven Studiemigratie
3. Overheidsbeleid
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven. ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren.
Weten wat het toelatingsbeleid is. Uitleggen dat het integratiebeleid gebaseerd is op de Grondwet. Uitleggen welke maatschappelijke positie migranten hebben op het gebied van onderwijs en werk.
Kansarm Kansrijk
4. Sociale ongelijkheid
ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren. ML2/K/6/9c — De kandidaat kan aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect.
Uitleggen welke oorzaken er voor sociale ongelijkheid zijn. Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze tot discriminatie kunnen leiden. Uitleggen hoe we door middel van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen samenleven.
Migratieachtergrond Taalachterstand Gelijkwaardig Tolerantie Sociale ongelijkheid Segregatie Kansarm Racisme Cultuur Grondwet Maatschappelijke positie Vooroordeel Norm Discriminatie Xenofobie Kansrijk

Massamedia

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. Media
ML2/K/7/12a — De kandidaat kan de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven. ML2/K/7/11b — De kandidaat kan factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen. ML2/K/4/5a — De kandidaat kan Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat. ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk
Uitleggen hoe je onderscheid maakt tussen verschillende soorten massamedia. Uitleggen welke belangrijke ontwikkelingen massamedia hebben doorgemaakt. Uitleggen welke functies media vervullen. Weten welke rol massamedia spelen op het gebied van democratie en cultuur.
Interactieve media Communiceren Medium Media Agendafunctie Massamedia Journalist Informatiefunctie Amusementsfunctie Cultuuroverdracht Gedrukte media Socialiserende functie Audiovisuele media Meningsvormende functie Controle- of waakhondfunctie
2. Mediapluriformiteit
ML2/K/7/11d — De kandidaat kan informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen. ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk
Uitleggen wat de rol is van de overheid op het gebied van massamedia. Uitleggen wat het verschil is tussen de Nederlandse publieke omroep en commerciële media. Weten welke commerciële belangen media hebben. Weten welke verschillen media hebben op het gebied van doelgroep, inhoud en vorm.
Publieke omroep Commerciële media
3. Nieuws
ML2/K/7 — Massamedia ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk
Uitleggen hoe nieuws tot stand komt. Uitleggen dat nieuws wordt geselecteerd op basis van selectieprocessen. Uitleggen hoe je kan zien dat nieuws objectief is.
Interactieve media Hoor en wederhoor Medium Redactie Verslaggever Burgerjournalistiek Klokkenluider Media Agendafunctie Massamedia Selectiecriteria Journalist Persbureau
4. Beïnvloeding
ML2/K/7/12c — De kandidaat kan benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia. ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk
Weten hoe je vooroordelen en stereotypering kan herkennen. Uitleggen dat massamedia niet altijd de werkelijkheid in beeld brengen.
Beeldvorming Persvrijheid Stereotype Selectieve waarneming Indoctrinatie Media Manipulatie Massamedia Journalist Socialiserende functie Referentiekader

Politiek en beleid

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. Wie bestuurt ons land?
4.1.1 De kandidaat kent/weet de rol die de overheid speelt op verschillende terreinen. 4.1.4 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.1.5 De kandidaat kent/weet kenmerken van een dictatuur en kan verschillen tussen een democratie en dictatuur noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Weten welke rol de overheid op verschillende terreinen speelt. Uitleggen welke kenmerken een rechtsstaat heeft. Uitleggen welke kenmerken een dictatuur heeft en de verschillen tussen een democratie en een dictatuur uitleggen.
Volksvertegenwoordigers Bestuurders Rechters Ambtenaren De wetgevende macht De uitvoerende macht De rechterlijke macht
2. Politieke stromingen
4.4.2 De kandidaat kan politieke standpunten indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as. 4.4.5 De kandidaat kan de indeling en uitgangspunten van politieke stromingen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Uitleggen hoe je standpunten kunt indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as. Uitleggen wat de uitgangspunten zijn van de vijf politieke stromingen.
Democratie Politiek Nationalistische stroming Sociaaldemocratie Liberalisme Globalisering Ecologische stroming Politieke partij Beleid Progressief Rentmeesterschap Conservatief Verkiezingen Christendemocratie
3. Politieke partijen
4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies en rollen van politieke partijen. 4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Weten welke kenmerken en functies politieke partijen hebben. Uitleggen wat de kenmerken zijn van de politieke partijen die in de Tweede Kamer zitten.
Democratie Tweede Kamer Volksvertegenwoordigers Politiek Kabinet Verkiezingsprogramma Politieke partij Europese Unie Progressief Gemeenteraad Conservatief Verkiezingen
4. Verkiezingen
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat. 4.1.3 De kandidaat kan in verband met het functioneren van de Nederlandse parlementaire democratie de volgende aspecten noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Uitleggen hoe de verkiezingen en kabinetsformatie in de Nederlandse democratie verlopen.
Actief kiesrecht Passief kiesrecht
5. Kabinet en parlement
4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.1.7 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken en taken van het kabinet. 4.1.8 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten over de verhouding tussen kabinet en parlement.
Weten welke kenmerken en taken het kabinet heeft. Uitleggen welke kenmerken en taken het parlement heeft. Weten wat de verhouding tussen het kabinet en het parlement is.
Kabinet Regering
6. Wie heeft de macht?
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat. 4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.1.10 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van Nederland als een constitutionele monarchie. 4.1.11 De kandidaat kan de volgende formele taken en rollen van de koning noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Weten waarom Nederland een constitutionele monarchie is. Uitleggen wat de taken en rollen van de koning zijn. Uitleggen wat de kenmerken van een parlementaire democratie zijn.
Democratie Kabinetsformatie Tweede Kamer Minister-president Politiek Kabinet Constitutionele monarchie Parlement Ministerie Regeerakkoord Motie van wantrouwen Begroting Dictatuur Troonrede Bestuurder Algemene beschouwingen Republiek Beleid Minister Coalitie Parlementaire democratie Regering Ministeriële verantwoordelijkheid Staatssecretaris Oppositie Prinsjesdag Grondrechten Verkiezingen
7. Besluiten nemen
4.2.1 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren en hun rol in het politieke besluitvormingsproces, voor het landelijk bestuursniveau. 4.2.2 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren op het gemeentelijke bestuursniveau en hun rol in het politieke besluitvormingsproces. 4.2.4 De kandidaat kent/weet de rol van ambtenaren in de politieke besluitvorming. 4.2.6 De kandidaat kan de fasen in het proces van politieke besluitvorming noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.2.7 De kandidaat kent/weet de rol en de noodzaak van het sluiten van compromissen in het politieke besluitvormingsproces.
Uitleggen welke fasen het proces van politieke besluitvorming heeft. Weten waarom bij besluitvorming vaak compromissen gesloten moeten worden. Weten welke rol ambtenaren hebben bij besluitvorming. Weten welke knelpunten de parlementaire democratie heeft. Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in ons land. Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in de gemeente.
Beleidsuitvoering Democratie Tweede Kamer Terugkoppeling Volksvertegenwoordigers Politiek Kabinet Beleidsmakers Parlement Ministerie Politieke besluitvorming College van burgemeester en wethouders Compromis Beleidsbepaling Bestuurder Beleidsvoorbereiding Politieke partij Agendavorming Beleid Wethouder Minister Coalitie Parlementaire democratie Gemeenteraad Eerste Kamer Staatssecretaris Wetsvoorstel Publieke opinie Verkiezingen
8. Invloed op besluiten
4.2.5 De kandidaat kan de functies die de media spelen in een democratie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.3.1 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden die individuele burgers hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden. 4.3.2 De kandidaat kent/weet de kenmerken van belangen- of pressiegroepen. 4.3.3 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden van belangen- of pressiegroepen om politieke besluitvorming te beïnvloeden. 4.3.4 De kandidaat kent/weet mogelijkheden die zowel individuele burgers als belangen- of pressiegroepen hebben. 4.3.5 De kandidaat kent/weet de verschillende machtsmiddelen die burgers, belangen- en pressiegroepen kunnen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
Weten hoe burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming. Weten welke kenmerken belangen- en pressiegroepen hebben. Weten hoe belangen- en pressiegroepen invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming. Weten welke machtsmiddelen burgers, belangen- en pressiegroepen hebben. Uitleggen welke functies de media hebben in een democratie.
Controle- of waakhondfunctie Democratie Tweede Kamer Belangengroep Politiek Beleidsmakers Politieke besluitvorming Lobbyen Burgerinitiatief Dictatuur Passief kiesrecht Bestuurder Informatiefunctie Referendum Politieke partij Actief kiesrecht Agendafunctie Beleid Dagelijks bestuur Nationale Ombudsman Verkiezingen
9. Europese Unie
4.2.9 De kandidaat kent/weet de redenen voor de Europese samenwerking. 4.2.10 De kandidaat kent/weet de doelstellingen van de Europese Unie. 4.2.11 De kandidaat kent/weet de voorwaarden waaraan landen moeten voldoen om toe te mogen treden tot de Europese Unie. 4.2.12 De kandidaat kent/weet de volgende beleidsterreinen waarop de Europese Unie beleid maakt met de bijbehorende voorbeelden. 4.2.13 De kandidaat kan de Europese besluitvorming door Europese instanties noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 4.2.14 De kandidaat kent/weet de problemen bij en de kritiek op de Europese samenwerking.
Weten waarom landen uit Europa samenwerken. Weten wanneer landen toegelaten kunnen worden tot de Europese Unie (EU). Weten welke doelen de EU heeft. Weten op welke terreinen de EU beleid maakt. Weten welke problemen en kritiek de EU tegenkomt. Uitleggen hoe Europese besluitvorming werkt en welke Europese instanties betrokken zijn.
Democratie Europees Parlement Tweede Kamer Volksvertegenwoordigers Lidstaat Politiek Kabinet Parlement Beleid Europese Unie Minister Regering Europese Commissie Raad van de EU Rechtsstaat Verkiezingen
10. Maatschappelijk vraagstuk
ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving.
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt. Uitleggen wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen.
Politiek Kabinet Politieke partij Beleid Europese Unie Minister Staatssecretaris Rechtsstaat

Criminaliteit en rechtsstaat

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. Wat is criminaliteit?
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit. 8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen. 8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken. 8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen. 8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht. 8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit. 8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven.
Weten wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen Weten wat voorbeelden zijn van wetboeken Weten wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit Uitleggen wat de begrippen waarde, norm, rechtsregel, geschreven en ongeschreven regel betekenen.
Criminaliteit Misdrijf Veelvoorkomende criminaliteit Geschreven regel Overtreding Wet wapens en munitie Delict Heling Hechtenis Geregistreerde criminaliteit Opiumwet Ongeschreven regel Wetboek van Strafrecht Rechtsregel
2. Criminaliteit in Nederland
8.1.7 De kandidaat kan uitleggen dat criminaliteit voldoet aan de kenmerken van een maatschappelijk probleem. 8.1.10 De kandidaat kent/weet het onderscheid tussen geregistreerde criminaliteit (criminaliteit bekend bij de politie) en ongeregistreerde criminaliteit. 8.1.11 De kandidaat kent/weet van onderstaande manieren van het meten van criminaliteit hoe de gegevens worden verzameld en kan uitleggen waarom bepaalde manieren van meten voor- of nadelen hebben voor het meten van bepaalde vormen van criminaliteit. 8.1.12 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van de rol van media in de beeldvorming over criminaliteit.
Weten wat het verschil is tussen geregistreerde criminaliteit en ongeregistreerde criminaliteit Weten op welke manieren je criminaliteit kunt meten en uitleggen wat bij elke manier de voor- en nadelen zijn Weten welke rol media spelen bij beeldvorming over criminaliteit Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is.
Criminaliteit Misdrijf Veelvoorkomende criminaliteit Politiestatistieken Slachtofferonderzoek Delict Veiligheidsmonitor Publieke opinie Geregistreerde criminaliteit Opsporingsbeleid Ongeregistreerde criminaliteit Beeldvorming Daderonderzoek
3. Rechtsstaat
8.2.1 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 8.2.3 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafrecht. 8.2.15 De kandidaat kan het verschijnsel van klassenjustitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van een rechtsstaat. Uitleggen wat klassenjustitie is. Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafrecht. Weten wat het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving is.
Rechtshandhaving Rechtsbescherming
4. Het strafrecht
8.2.2 De kandidaat kent/weet het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving. 8.2.8 De kandidaat kan de taken en rol van de officier van justitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 8.2.10 De kandidaat kent/weet de rol en taken van de reclassering. 8.2.11 De kandidaat kan de volgende taken en bevoegdheden van de politie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 8.2.12 De kandidaat kent/weet de belangrijkste taken van de BOA en kan bevoegdheden van de BOA noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Uitleggen welke taken de officier van justitie heeft. Uitleggen welke taken en bevoegdheden de politie heeft. Weten welke taken en bevoegdheden de BOA heeft. Weten wat de taken zijn van de reclassering.
Criminaliteit Reclassering Strafbeschikking Transactie Misdrijf Overtreding Officier van justitie Tbs Delict Preventie Vervolgen Maatregel Openbaar Ministerie Seponeren Proces-verbaal Recidive BOA
5. Naar de rechter
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen. 8.2.13 De kandidaat kent/weet de organisatie van strafrechtspraak. 8.2.14 De kandidaat kan de volgorde en onderdelen van een rechtszitting noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Uitleggen welke onderdelen in een rechtszaak aan bod komen en in welke volgorde ze plaatsvinden. Weten welke rechterlijke instanties er zijn.
De kantonrechter De politierechter De meervoudige kamer Het gerechtshof De Hoge Raad
6. Verdachte en slachtoffer
8.2.4 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van het jeugdstrafrecht. 8.2.5 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafprocesrecht. 8.2.7 De kandidaat kent/weet de rechten en plichten van de verdachte in de Nederlandse rechtsstaat. 8.2.9 De kandidaat kent/weet de volgende rechten van slachtoffers.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafprocesrecht. Weten wat de rechten en plichten van een verdachte zijn. Weten wat de kenmerken zijn van het jeugdstrafrecht. Weten wat de rechten van slachtoffers zijn.
Leerstraf Reclassering Misdrijf Machtenscheiding Rechtsbescherming Officier van justitie Delict Rechtsgelijkheid Halt-straf Jeugdstrafrecht Maatregel Rechtszekerheid Hoger beroep Vonnis Rechtshandhaving Spreekrecht Rechtsstaat PIJ-maatregel Grondrechten
7. Oorzaken van criminaliteit
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit. 8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen. 8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken. 8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen. 8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht. 8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit. 8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven.
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen. Weten dat mensen minder snel strafbare feiten plegen wanneer ze ouder worden. Weten welke theorieën er over crimineel gedrag zijn.
Criminaliteit Bindingstheorie Beschermende factor Aangeleerd gedragstheorie Misdrijf Delict Preventie Risicofactor Vervolgen Rationele-keuze-theorie Etikettentheorie
8. Doel van straffen
8.1.8 De kandidaat kan materiële en immateriële gevolgen van criminaliteit noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet de volgende voorbeelden van gevolgen. 8.5.1 De kandidaat kan de doelen van sancties/ straffen herkennen, noemen, beschrijven en toepassen. 8.5.2 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van soorten straffen en maatregelen.
Uitleggen wat de materiële en immateriële gevolgen zijn van criminaliteit en hiervan voorbeelden kunnen noemen. Weten welke straffen en maatregelen allemaal opgelegd kunnen worden. Uitleggen met welke doelen bepaalde straffen en maatregelen worden opgelegd.
Taakstraf Geldboete Gevangenisstraf Hechtenis Rechten van iemand afnemen Uitspraak openbaar maken Criminele winst afpakken Schadevergoeding betalen Tbs (terbeschikkingstelling)
9. Rol van de overheid
8.4.1 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten met betrekking tot overheidsinstanties die betrokken zijn bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit. 8.4.2 De kandidaat kan de volgende beleidsterreinen waarin verschillende aspecten van criminaliteit en veiligheid aandacht krijgen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 8.4.3 De kandidaat kan het verschil tussen preventieve en repressieve aspecten van overheidsbeleid noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. 8.4.4 De kandidaat kent/weet de accenten die politieke stromingen en progressieve en conservatieve partijen leggen bij criminaliteitsbestrijding. 8.4.5 De kandidaat kent/weet de effectiviteit en wenselijkheid van gegeven beleidsmaatregelen te beoordelen aan de hand van de volgende criteria.
Weten welke overheidsinstellingen zich bezighouden met het voorkomen en bestrijden van criminaliteit Uitleggen op welke beleidsterreinen de overheid criminaliteit bestrijdt Uitleggen wat het verschil is tussen preventief en repressief beleid Weten hoe effectief en wenselijk bepaalde beleidsmaatregelen zijn Weten hoe de verschillende politieke stromingen over criminaliteitsbestrijding denken
Preventief beleid Repressief beleid Rechtshandhaving Rechtsbescherming
10. Maatschappelijk vraagstuk
ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving.
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt. Uitleggen wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen.
Criminaliteit Delict Rechtsstaat

Analyse

⋮⋮Les ⋮⋮Onderwijsdoelen ⋮⋮Leerdoelen ⋮⋮Begrippen ⋮⋮Portfolio-opdracht
Inhoudsopgave
1. Introductie: de analyse
Weten welke onderdelen er zijn bij de analyse van een maatschappelijk vraagstuk. Weten dat je een standpunt moet kunnen innemen en hierbij argumenten kunt geven.
Veranderings- en vergelijkende invalshoek Sociaaleconomische invalshoek Politiek-juridische invalshoek Sociaal-culturele invalshoek
2. Maatschappelijk vraagstuk
ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving.
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt. Uitleggen wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen.
Veranderings- en vergelijkende invalshoek Sociaaleconomische invalshoek Politiek-juridische invalshoek Sociaal-culturele invalshoek
3. Invalshoeken
ML2/K/5/7a — De kandidaat kan functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren met behulp van de invalshoeken.
Veranderings- en vergelijkende invalshoek Sociaaleconomische invalshoek Politiek-juridische invalshoek Sociaal-culturele invalshoek
4. Politiek en beleid
4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies en rollen van politieke partijen. 4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
Weten wat de opvattingen zijn van politieke stromingen over dit maatschappelijk vraagstuk. Uitleggen of betrokken partijen toegang hebben tot machtsmiddelen.
5. Massamedia deel 1
Uitleggen welke rol beeldvorming speelt in een maatschappelijk vraagstuk. Uitleggen welke theorieën van beïnvloeding door de media er zijn. Uitleggen welke functies de media hebben. Weten wat de uitgangspunten zijn van het overheidsbeleid.
Injectienaaldtheorie Framingtheorie Agendatheorie Theorie van selectieve perceptie Amusementsfunctie Informatiefunctie Socialiserende functie Meningsvormende functie Controle- of waakhondfunctie Agendafunctie Pluriformiteit Persvrijheid
6. Massamedia deel 2
Uitleggen welke rol media spelen bij het selecteren van nieuws. Weten welke acht selectiecriteria er zijn. Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen.
Analyses
Analyse: Vapen
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Analyse: Lachgas
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Politiek-juridische invalshoek
Analyse: Jeugdcriminaliteit
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit. 8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen. 8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken. 8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen. 8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht. 8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit. 8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven.
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn. Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Sociaal-culturele invalshoek