Inhoudsopgave
Verantwoording Methode M – Maatschappijkunde, vmbo GT
Kolommen
Exporteer
Mens en werk
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
1. Waarom werken we? | ML2/K/5/8a — De kandidaat kan de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf. | Uitleggen waarom mensen werken.
Uitleggen wat de kenmerken van een bedrijfscultuur zijn.
Weten dat je binnen het werk soms voor moeilijke kwesties komt te staan. | Bedrijfscultuur
Werkgeluk
Leiderschapsstijlen | |
2. De arbeidsmarkt verandert | ML2/K/5/8e — De kandidaat kan oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren. | Weten dat er een arbeidsverdeling is.
Weten wat de oorzaken en gevolgen zijn van werkloosheid.
Weten waarom de arbeidsmarkt verandert.
Uitleggen waarom de verschillende ontwikkelingen maatschappelijke vraagstukken zijn. | Arbeidsverdeling
Arbeidsmarkt
Maatschappelijk vraagstuk
Werkgelegenheid
Werkloosheid (werkloos)
Conjuncturele werkloosheid
Seizoenswerkloosheid
Structurele werkloosheid
Mechanisering
Automatisering
Digitalisering
Robotisering | |
3. Maatschappelijke positie | ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving. | Uitleggen dat werk verschillend wordt gewaardeerd.
Uitleggen dat arbeidsverdeling invloed heeft op de sociale ongelijkheid. | Vitale beroepen
Maatschappelijke positie
Sociale mobiliteit
Sociale ongelijkheid
Kansarm
Kansrijk | |
4. Sociale zekerheid | ML2/K/5/8b — De kandidaat kan de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven.
ML2/K/5/8d — De kandidaat kan een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland. | Weten wat de overheid doet op het gebied van de sociale zekerheid.
Uitleggen hoe de overheid de verzorgingsstaat betaalt.
Uitleggen hoe de werkgevers, werknemers en de overheid met elkaar proberen samen te werken. | Verzorgingsstaat
Sociale voorzieningen
Volksverzekering
Werknemersverzekeringen
Sociale zekerheid
Sociale partners
Poldermodel
Vakbond
Arbeidsomstandigheden
Arbeidsvoorwaarden
Medezeggenschap
Ondernemingsraad | |
De multiculturele samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De multiculturele samenleving | ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven. | Uitleggen waarom Nederland een multiculturele samenleving is.
Uitleggen waarom de multiculturele samenleving een maatschappelijk vraagstuk is.
Uitleggen welke visies er zijn op de multiculturele samenleving. | Multiculturele samenleving
Cultuur
Dominante cultuur
Waarden
Normen
Gewoontes
Feestdagen
Tradities
Subculturen
Religieuze subcultuur
Etnische subcultuur
De christendemocratische visie
De liberale visie
De nationalistische visie | |
2. Migratie | ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven. | Weten wat een migratieachtergrond is.
Uitleggen welke migratiemotieven er zijn.
Uitleggen dat de samenstelling van de Nederlandse bevolking verandert. | Migratie
Immigranten
Emigranten
Migratieachtergrond
Migratiemotieven
Arbeidsmigratie
Gezinsmigratie
Studiemigratie
Asielmigratie
Asielzoekers
Gezinshereniging
Inburgeringscursus | |
3. Overheidsbeleid | ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven.
ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren. | Weten wat het toelatingsbeleid is.
Uitleggen dat het integratiebeleid gebaseerd is op de Grondwet.
Uitleggen welke maatschappelijke positie migranten hebben op het gebied van onderwijs en werk. | Verdrag
Restrictief toelatingsbeleid
Grondwet
Integratiebeleid
Maatschappelijke positie
Kansarm
Kansrijk
Verblijfsvergunning | |
4. Sociale ongelijkheid | ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren.
ML2/K/6/9c — De kandidaat kan aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. | Uitleggen welke oorzaken er voor sociale ongelijkheid zijn.
Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze tot discriminatie kunnen leiden.
Uitleggen hoe we door middel van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen samenleven. | Sociale ongelijkheid
Taalachterstand
Segregatie
Racisme
Tolerantie
Gelijkwaardigheid
Xenofobie
Discriminatie
Vooroordelen | |
Massamedia
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Media | ML2/K/7/12a — De kandidaat kan de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven.
ML2/K/7/11b — De kandidaat kan factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen.
ML2/K/4/5a — De kandidaat kan Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk | Uitleggen hoe je onderscheid maakt tussen verschillende soorten massamedia.
Uitleggen welke belangrijke ontwikkelingen massamedia hebben doorgemaakt.
Uitleggen welke functies media vervullen.
Weten welke rol massamedia spelen op het gebied van democratie en cultuur. | Communicatie
Medium
Media
Massamedia
Gedrukte media
Audiovisuele media
Interactieve media
Medialisering
Amusementsfunctie
Informatiefunctie
Controle- of waakhondfunctie
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Agendafunctie
Cultuuroverdracht | |
2. Mediapluriformiteit | ML2/K/7/11d — De kandidaat kan informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk | Uitleggen wat de rol is van de overheid op het gebied van massamedia.
Uitleggen wat het verschil is tussen de Nederlandse publieke omroep en commerciële media.
Weten welke commerciële belangen media hebben.
Weten welke verschillen media hebben op het gebied van doelgroep, inhoud en vorm. | Pluriformiteit
Persvrijheid
Commerciële media
Publieke omroep
Persconcentratie | |
3. Nieuws | ML2/K/7 — Massamedia
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk | Uitleggen hoe nieuws tot stand komt.
Uitleggen dat nieuws wordt geselecteerd op basis van selectieprocessen.
Uitleggen hoe je kan zien dat nieuws objectief is. | Journalisten
Persbureau
Verslaggevers
Redactie
Selectiecriteria
Burgerjournalistiek
Hoor en wederhoor
Klokkenluider | |
4. Beïnvloeding | ML2/K/7/12c — De kandidaat kan benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk | Weten hoe je vooroordelen en stereotypering kunt herkennen.
Uitleggen dat massamedia niet altijd de werkelijkheid in beeld brengen.
Uitleggen welke beïnvloedingstheorieën er zijn. | Beeldvorming
Stereotype
Vooroordeel
Referentiekader
Indoctrinatie
Manipulatie
Injectienaaldtheorie
Agendatheorie
Framingtheorie
Framing
Theorie van de selectieve perceptie
Selectieve waarneming | |
Politiek en beleid
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wie bestuurt ons land? | 4.1.1 De kandidaat kent/weet de rol die de overheid speelt op verschillende terreinen.
4.1.4 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.5 De kandidaat kent/weet kenmerken van een dictatuur en kan verschillen tussen een democratie en dictatuur noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Weten welke rol de overheid op verschillende terreinen speelt.
Uitleggen welke kenmerken een rechtsstaat heeft.
Uitleggen welke kenmerken een dictatuur heeft en de verschillen tussen een democratie en een dictatuur uitleggen. | Beleid
Politiek
Bestuurslagen
Volksvertegenwoordigers
Bestuurders
Ambtenaren
Rechtsstaat
Machtenscheiding
Legaliteitsbeginsel
Wetgevende macht
Uitvoerende macht
Rechterlijke macht
Democratie
Dictatuur
Rechtszekerheid
Grondrechten
Rechtsgelijkheid | |
2. Politieke stromingen | 4.4.2 De kandidaat kan politieke standpunten indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as.
4.4.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van populistische politieke partijen.
4.4.4 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van extremistische politieke partijen of bewegingen.
4.4.5 De kandidaat kan de indeling en uitgangspunten van politieke stromingen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen hoe je standpunten kunt indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as.
Uitleggen wat de uitgangspunten zijn van de vijf politieke stromingen.
Weten welke kenmerken populistische politieke partijen hebben.
Weten welke kenmerken extremistische politieke partijen hebben. | Links
Rechts
Conservatief
Progressief
Liberalisme
Sociaaldemocratie
Christendemocratie
Rentmeesterschap
Ecologische stroming
Nationalistische stroming
Globalisering
Populisme
Extremisme | |
3. Politieke partijen | 4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies en rollen van politieke partijen.
4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Weten welke kenmerken en functies politieke partijen hebben.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van de politieke partijen die in de Tweede Kamer zitten. | Politieke partijen
Verkiezingen
Verkiezingsprogramma | |
4. Verkiezingen | 4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.3 De kandidaat kan in verband met het functioneren van de Nederlandse parlementaire democratie de volgende aspecten noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen hoe de verkiezingen en kabinetsformatie in de Nederlandse democratie verlopen.
Weten hoe het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging werkt en hoe het meerderheidsstelsel werkt. | Algemeen kiesrecht
Actief kiesrecht
Passief kiesrecht
Zwevende kiezers
Lijsttrekker
Evenredige vertegenwoordiging
Meerderheidsstelsel
Dagelijks bestuur
Kabinet
Het college van burgemeester en wethouders
Gemeenteraad
Provinciale Staten
De gedeputeerde staten
Kabinetsformatie
Coalitie
Informateur
Regeerakkoord
Compromis
Formateur
Minister-president
Ministers
Staatssecretarissen
Wethouders
Gedeputeerde | |
5. Kabinet en parlement | 4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.7 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken en taken van het kabinet.
4.1.8 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten over de verhouding tussen kabinet en parlement. | Weten welke kenmerken en taken het kabinet heeft.
Uitleggen welke kenmerken en taken het parlement heeft.
Weten wat de verhouding tussen het kabinet en het parlement is. | Wetgevende taak
Controlerende taak
Oppositiepartijen
Regering
Ministerie
Begroting
Wetsvoorstel
Tweede Kamer
Eerste Kamer
Parlement | |
6. Wie heeft de macht? | 4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.9 De kandidaat kan de volgende machtsmiddelen van het kabinet noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.10 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van Nederland als een constitutionele monarchie.
4.1.11 De kandidaat kan de volgende formele taken en rollen van de koning noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen welke machtsmiddelen het kabinet heeft.
Uitleggen welke rechten het parlement heeft.
Weten waarom Nederland een constitutionele monarchie is.
Uitleggen wat de taken en rollen van de koning zijn.
Uitleggen wat de kenmerken van een parlementaire democratie zijn. | Motie van wantrouwen
Kabinetscrisis
Begrotingsrecht
Recht op goed – of afkeuren van wetsvoorstellen
Recht van amendement
Recht van initiatief
Vragenrecht
Recht op een debat met het kabinet
Motierecht
Recht van parlementair onderzoek
Constitutionele monarchie
Ministeriële verantwoordelijkheid
Prinsjesdag
Troonrede
Republiek
Parlementaire democratie
Algemene beschouwingen | |
7. Besluiten nemen | 4.2.1 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren en hun rol in het politieke besluitvormingsproces, voor het landelijk bestuursniveau.
4.2.2 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren op het gemeentelijke bestuursniveau en hun rol in het politieke besluitvormingsproces.
4.2.4 De kandidaat kent/weet de rol van ambtenaren in de politieke besluitvorming.
4.2.6 De kandidaat kan de fasen in het proces van politieke besluitvorming noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.2.7 De kandidaat kent/weet de rol en de noodzaak van het sluiten van compromissen in het politieke besluitvormingsproces.
4.2.8 De kandidaat kent/weet deze knelpunten van de parlementaire democratie. | Uitleggen welke fasen het proces van politieke besluitvorming heeft.
Weten waarom bij besluitvorming vaak compromissen gesloten moeten worden.
Weten welke rol ambtenaren hebben bij besluitvorming.
Weten welke knelpunten de parlementaire democratie heeft.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in ons land.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in de gemeente. | Politieke besluitvorming
Agendavorming
Publieke opinie
Beleidsvoorbereiding
Beleidsmakers
Beleidsbepaling
Beleidsuitvoering
Terugkoppeling | |
8. Invloed op besluiten | 4.2.5 De kandidaat kan de functies die de media spelen in een democratie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.3.1 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden die individuele burgers hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.2 De kandidaat kent/weet de kenmerken van belangen- of pressiegroepen.
4.3.3 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden van belangen- of pressiegroepen om politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.4 De kandidaat kent/weet mogelijkheden die zowel individuele burgers als belangen- of pressiegroepen hebben.
4.3.5 De kandidaat kent/weet de verschillende machtsmiddelen die burgers, belangen- en pressiegroepen kunnen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden. | Weten hoe burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Weten welke kenmerken belangen- en pressiegroepen hebben.
Weten hoe belangen- en pressiegroepen invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Weten welke machtsmiddelen burgers, belangen- en pressiegroepen hebben.
Uitleggen welke functies de media hebben in een democratie. | Pressiegroep
Belangengroep
Lobbyen
Burgerinitiatief
Referendum
Nationale Ombudsman
Informatiefunctie
Controle- of waakhondfunctie
Agendafunctie | |
9. Europese Unie | 4.2.9 De kandidaat kent/weet de redenen voor de Europese samenwerking.
4.2.10 De kandidaat kent/weet de doelstellingen van de Europese Unie.
4.2.11 De kandidaat kent/weet de voorwaarden waaraan landen moeten voldoen om toe te mogen treden tot de Europese Unie.
4.2.12 De kandidaat kent/weet de volgende beleidsterreinen waarop de Europese Unie beleid maakt met de bijbehorende voorbeelden.
4.2.13 De kandidaat kan de Europese besluitvorming door Europese instanties noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.2.14 De kandidaat kent/weet de problemen bij en de kritiek op de Europese samenwerking. | Weten waarom landen uit Europa samenwerken.
Weten wanneer landen toegelaten kunnen worden tot de Europese Unie (EU).
Weten welke doelen de EU heeft.
Weten op welke terreinen de EU beleid maakt.
Weten welke problemen en kritiek de EU tegenkomt.
Uitleggen hoe Europese besluitvorming werkt en welke Europese instanties betrokken zijn. | Lidstaat
Europese Unie
Europese Raad
Europese Commissie
Raad van de EU
Europees Parlement | |
10. Maatschappelijk vraagstuk | 1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. | ||
Criminaliteit en rechtsstaat
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? | 8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. | Weten wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit
Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen
Weten wat voorbeelden zijn van wetboeken en rechtsbronnen
Uitleggen dat criminaliteit kan verschillen per land en tijd.
Weten wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit.
Uitleggen wat de begrippen waarde, norm, rechtsregel, geschreven en ongeschreven regel betekenen. | Criminaliteit
Delict
Strafbaar feit
Overtreding
Misdrijf
Heling
Veelvoorkomende criminaliteit
Geschreven regels
Ongeschreven regels
Rechtsregels
Wetboek van Strafrecht
Opiumwet
Wet wapens en munitie
Wegenverkeerswet
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) | |
2. Criminaliteit in Nederland | 8.1.7 De kandidaat kan uitleggen dat criminaliteit voldoet aan de kenmerken van een maatschappelijk probleem.
8.1.10 De kandidaat kent/weet het onderscheid tussen geregistreerde criminaliteit (criminaliteit bekend bij de politie) en ongeregistreerde criminaliteit.
8.1.11 De kandidaat kent/weet van onderstaande manieren van het meten van criminaliteit hoe de gegevens worden verzameld en kan uitleggen waarom bepaalde manieren van meten voor- of nadelen hebben voor het meten van bepaalde vormen van criminaliteit.
8.1.12 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van de rol van media in de beeldvorming over criminaliteit. | Weten wat het verschil is tussen geregistreerde criminaliteit en ongeregistreerde criminaliteit
Weten op welke manieren je criminaliteit kunt meten en uitleggen wat bij elke manier de voor- en nadelen zijn
Weten welke rol media spelen bij beeldvorming over criminaliteit
Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is | Politiestatistieken
Slachtofferonderzoek
Daderonderzoek
De veiligheidsmonitor
Geregistreerde criminaliteit
Ongeregistreerde criminaliteit
Beeldvorming
Stereotypen
Publieke opinie | |
3. Rechtsstaat | 8.2.1 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.2 De kandidaat kent/weet het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving.
8.2.3 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafrecht.
8.2.15 De kandidaat kan het verschijnsel van klassenjustitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen wat de kenmerken zijn van een rechtsstaat.
Uitleggen wat klassenjustitie is.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafrecht.
Weten wat het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving is. | Rechtsstaat
Grondrechten
Rechtsgelijkheid
Rechtszekerheid
Machtenscheiding
Legaliteitsbeginsel
Klassenjustitie
Noodweer
Overmacht
Rechtshandhaving
Rechtsbescherming
Dilemma tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming
Dilemma van de rechtsstaat | |
4. Het strafrecht | 8.2.8 De kandidaat kan de taken en rol van de officier van justitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.10 De kandidaat kent/weet de rol en taken van de reclassering.
8.2.11 De kandidaat kan de volgende taken en bevoegdheden van de politie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.12 De kandidaat kent/weet de belangrijkste taken van de BOA en kan bevoegdheden van de BOA noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen welke taken de officier van justitie heeft.
Uitleggen welke taken en bevoegdheden de politie heeft.
Weten welke taken en bevoegdheden de BOA heeft.
Weten wat de taken zijn van de reclassering. | Vervolgen
Seponeren
Transactie
Strafbeschikking
Officier van justitie
Openbaar ministerie (Het OM)
Proces-verbaal
Recidive
Recidivist
Reclassering
BOA | |
5. Naar de rechter | 8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.2.13 De kandidaat kent/weet de organisatie van strafrechtspraak.
8.2.14 De kandidaat kan de volgorde en onderdelen van een rechtszitting noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Uitleggen welke onderdelen in een rechtszaak aan bod komen en in welke volgorde ze plaatsvinden.
Weten welke rechterlijke instanties er zijn. | Tenlastelegging
Requisitoir
Pleidooi
Vonnis
Ontoerekeningsvatbaar
Jurisprudentie
Voorwaardelijke straf
Onvoorwaardelijke straf
Kantonrechter
Politierechter
Meervoudige kamer
Hoger beroep
Gerechtshof
Cassatie
Hoge raad | |
6. Verdachte en slachtoffer | 8.2.4 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van het jeugdstrafrecht.
8.2.5 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafprocesrecht.
8.2.7 De kandidaat kent/weet de rechten en plichten van de verdachte in de Nederlandse rechtsstaat.
8.2.9 De kandidaat kent/weet de volgende rechten van slachtoffers. | Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafprocesrecht.
Weten wat de rechten en plichten van een verdachte zijn.
Weten wat de kenmerken zijn van het jeugdstrafrecht.
Weten wat de rechten van slachtoffers zijn. | Jeugdstrafrecht
Pij-maatregel
Halt-straf
Leerstraf
Spreekrecht | |
7. Oorzaken van criminaliteit | 8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. | Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten dat mensen minder snel strafbare feiten plegen wanneer ze ouder worden.
Weten welke theorieën er over crimineel gedrag zijn. | Risicofactoren
Beschermende factoren
Aangeleerd gedragstheorie
Anomietheorie
Bindingstheorie
Rationele-keuze-theorie
Etikettentheorie
Neutraliseringstheorie | |
8. Doel van straffen | 8.1.8 De kandidaat kan materiële en immateriële gevolgen van criminaliteit noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet de volgende voorbeelden van gevolgen.
8.5.1 De kandidaat kan de doelen van sancties/ straffen herkennen, noemen, beschrijven en toepassen.
8.5.2 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van soorten straffen en maatregelen. | Uitleggen wat de materiële en immateriële gevolgen zijn van criminaliteit en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke straffen en maatregelen allemaal opgelegd kunnen worden.
Uitleggen met welke doelen bepaalde straffen en maatregelen worden opgelegd. | Materiële gevolgen
Immateriële gevolgen
Morele verontwaardiging
Normvervaging
Eigenrichting
Hoofdstraf
Bijkomende straf
Maatregel
Hechtenis
Tbs (terbeschikkingstelling)
Vergelding
Preventie
Rechtsorde
Resocialisatie
Genoegdoening | |
9. Rol van de overheid | 8.4.1 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten met betrekking tot overheidsinstanties die betrokken zijn bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit.
8.4.2 De kandidaat kan de volgende beleidsterreinen waarin verschillende aspecten van criminaliteit en veiligheid aandacht krijgen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.4.3 De kandidaat kan het verschil tussen preventieve en repressieve aspecten van overheidsbeleid noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.4.4 De kandidaat kent/weet de accenten die politieke stromingen en progressieve en conservatieve partijen leggen bij criminaliteitsbestrijding.
8.4.5 De kandidaat kent/weet de effectiviteit en wenselijkheid van gegeven beleidsmaatregelen te beoordelen aan de hand van de volgende criteria. | Weten welke overheidsinstellingen zich bezighouden met het voorkomen en bestrijden van criminaliteit
Uitleggen op welke beleidsterreinen de overheid criminaliteit bestrijdt
Uitleggen wat het verschil is tussen preventief en repressief beleid
Weten hoe effectief en wenselijk bepaalde beleidsmaatregelen zijn
Weten hoe de verschillende politieke stromingen over criminaliteitsbestrijding denken | De wetgevende macht
De uitvoerende macht
De rechterlijke macht
Opsporingsbeleid
Vervolgingsbeleid
Gevangenisbeleid
Jeugdcriminaliteitsbeleid
Preventief beleid
Repressief beleid
Rechtshandhaving
Rechtsbescherming | |
10. Maatschappelijk vraagstuk | 1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. | ||
Analyse
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Introductie: de analyse | 1.3 De kandidaat kan waarden, normen en (tegengestelde) belangen van betrokken actoren noemen, herkennen, beschrijven en toepassen, en beoordelen in welke mate die actoren toegang hebben tot machtsmiddelen om voor hun belangen op te komen. | Weten welke onderdelen er zijn bij de analyse van een maatschappelijk vraagstuk.
Weten dat je een standpunt moet kunnen innemen en hierbij argumenten kunt geven. | ||
2. Maatschappelijk vraagstuk | 1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt. | ||
3. Invalshoeken | ML2/K/5/7a — De kandidaat kan functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen. | Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren met behulp van de invalshoeken. | Politiek-juridische benaderingswijze
Sociaaleconomische benaderingswijze
Sociaal-culturele benaderingswijze
Veranderings- en vergelijkende benaderingswijze | |
4. Politiek en beleid | 1.4 De kandidaat kan opvattingen van politieke stromingen en/of politieke partijen over dit maatschappelijk vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. | Weten wat de opvattingen zijn van politieke stromingen over dit maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen of betrokken partijen toegang hebben tot machtsmiddelen. | ||
5. Massamedia deel 1 | 1.5 De kandidaat kan de volgende aspecten van de rol die media vervullen ten aanzien van het vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
1.6 De kandidaat kan met voorbeelden uit informatiebronnen over het vraagstuk verduidelijken welke beeldvorming, vooroordelen en stereotypen overgedragen worden, met gebruikmaking van de begrippen selectieve perceptie en referentiekader. De kandidaat kan hierbij vooroordelen en stereotyperingen noemen en herkennen.
1.8 De kandidaat kan theorieën over de beïnvloeding van mensen door de media noemen, herkennen, beschrijven en toepassen op gegeven informatiebronnen. | Uitleggen welke rol beeldvorming speelt in een maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen welke theorieën van beïnvloeding door de media er zijn.
Uitleggen welke functies de media hebben.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het overheidsbeleid. | ||
6. Massamedia deel 2 | 1.5 De kandidaat kan de volgende aspecten van de rol die media vervullen ten aanzien van het vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
1.7 De kandidaat kan informatiebronnen beoordelen en vergelijken met betrekking tot de vraag of deze meer of minder objectief en dus betrouwbaar zijn. | Uitleggen welke rol media spelen bij het selecteren van nieuws.
Weten welke acht selectiecriteria er zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. | ||
Analyses | ||||
Analyse: Vapen | 1.3 De kandidaat kan waarden, normen en (tegengestelde) belangen van betrokken actoren noemen, herkennen, beschrijven en toepassen, en beoordelen in welke mate die actoren toegang hebben tot machtsmiddelen om voor hun belangen op te komen. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||
Analyse: Lachgas | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | |||
Analyse: Jeugdcriminaliteit | 8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. | Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. | ||