Verantwoording Methode M – Maatschappijkunde, vmbo GT
Kolommen
Exporteer
Toelichting bij deze verantwoording
Dit document verantwoordt de lesstof uit Methode M in relatie tot de door de overheid gestelde doelen voor het vak maatschappijkunde. Voor maatschappijkunde geldt het examenprogramma en daarnaast een uitwerking middels een syllabus voor de onderwerpen die via het centraal eindexamen getoetst worden. Dit betekent dat we als methodemakers meer vrijheden kennen bij de modules Mens en werk, De multiculturele samenleving en Massamedia, dan bij de modules Politiek en beleid, Criminaliteit en rechtsstaat en de analyse van het maatschappelijk vraagstuk.
De overheid stelt in het examenprogramma van maatschappijleer een aantal eisen aan de vaardigheden (basisvaardigheden en leervaardigheden) die bij maatschappijleer aan bod moeten komen. De leervaardigheden (ML2/K/3) komen aan bod in het aparte module Analyse en worden in de vier vaste modules geoefend in de zogenaamde analyse-opdracht. De basisvaardigheden (ML2/K/2) komen doorlopend in deze methode terug in de verschillende kijk-, analyseer- en doe-opdrachten.
In onderstaande tabel kunt u zien hoe de lesstof uit Methode M gekoppeld is aan de onderwijsdoelen voor het vak maatschappijkunde. De lesstof is uitgesplitst in leerdoelen en begrippen. De vakoverstijgende vaardigheden uit de preambule komen in onze methode veelvuldig terug.
Ik nodig u van harte uit om contact met mij op te nemen wanneer u aanvullingen heeft, onjuistheden ziet of een andere opmerking wilt maken. Een online methode biedt de prettige mogelijkheid om zaken direct aan te passen wanneer hiertoe aanleiding is.
Rosanne Salimi
Stef van der Linden
info@methodem.nl https://over.methodem.nl
Mens en werk
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Waarom werken we? |
ML2/K/5/8a — De kandidaat kan de functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen en beschrijven, en factoren noemen die van invloed zijn op de cultuur van een bedrijf. |
Uitleggen waarom mensen werken.
Uitleggen wat de kenmerken van een bedrijfscultuur zijn.
Weten dat je binnen het werk soms voor moeilijke kwesties komt te staan. |
Bedrijfscultuur
Arbeidsmarkt
Leiderschapsstijlen
Werkgeluk
Vakbond |
|
2. De arbeidsmarkt verandert |
ML2/K/5/8e — De kandidaat kan oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen en verklaren. |
Weten dat er een arbeidsverdeling is.
Weten wat de oorzaken en gevolgen zijn van werkloosheid.
Weten waarom de arbeidsmarkt verandert.
Uitleggen waarom de verschillende ontwikkelingen maatschappelijke vraagstukken zijn. |
Werkloosheid
Arbeidsmarkt
Conjuncturele werkloosheid
Mechanisering
Maatschappelijke positie
Maatschappelijk vraagstuk
Seizoenswerkloosheid
Verzorgingsstaat
Robotisering
Arbeidsverdeling
Structurele werkloosheid
Automatisering
Werkgelegenheid
Digitalisering |
|
3. Maatschappelijke positie |
ML2/K/5/8c — De kandidaat kan uitleggen welke invloed maatschappelijke arbeidsverdeling heeft op de sociale ongelijkheid in de samenleving. |
Uitleggen dat werk verschillend wordt gewaardeerd.
Uitleggen dat arbeidsverdeling invloed heeft op de sociale ongelijkheid. |
Kansrijk
Arbeidsmarkt
Vitaal beroep
Kansarm
Maatschappelijke positie
Sociale ongelijkheid
Arbeidsverdeling
Sociale mobiliteit |
|
4. Sociale zekerheid |
ML2/K/5/8b — De kandidaat kan de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de problematiek van de verzorgingsstaat herkennen en beschrijven.
ML2/K/5/8d — De kandidaat kan een beschrijving geven van de arbeidsverhoudingen in Nederland. |
Weten wat de overheid doet op het gebied van de sociale zekerheid.
Uitleggen hoe de overheid de verzorgingsstaat betaalt.
Uitleggen hoe de werkgevers, werknemers en de overheid met elkaar proberen samen te werken. |
Algemene Ouderdomswet (AOW)
Algemene nabestaandenwet (ANW)
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
Werkloosheidswet (WW)
Ziektewet (ZW)
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Participatiewet/de bijstand
Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (afkorting: Wajong)
Werknemers
Werkgevers
Arbeidsomstandigheden
Arbeidsvoorwaarden |
|
De multiculturele samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De multiculturele samenleving |
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven. |
Uitleggen waarom Nederland een multiculturele samenleving is.
Uitleggen waarom de multiculturele samenleving een maatschappelijk vraagstuk is.
Uitleggen welke visies er zijn op de multiculturele samenleving. |
Verschillende waarden
Verschillende normen
Verschillende gewoonten
Verschillende tradities
Verschillende feestdagen |
|
2. Migratie |
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven. |
Weten wat een migratieachtergrond is.
Uitleggen welke migratiemotieven er zijn.
Uitleggen dat de samenstelling van de Nederlandse bevolking verandert. |
Emigrant
Migratiemotieven
Asielzoeker
Studiemigratie
Gezinshereniging
Immigrant
Asielmigratie
Arbeidsmigrant
Gezinsmigratie
Migratie
Inburgeringscursus
Migratieachtergrond |
|
3. Overheidsbeleid |
ML2/K/6/10a — De kandidaat kan de culturele differentiatie in Nederland beschrijven en ontwikkelingen daarin noemen, alsmede het overheidsbeleid en visies ten aanzien van de multiculturele samenleving beschrijven.
ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren. |
Weten wat het toelatingsbeleid is.
Uitleggen dat het integratiebeleid gebaseerd is op de Grondwet.
Uitleggen welke maatschappelijke positie migranten hebben op het gebied van onderwijs en werk. |
Gewoonten
Scholing
Werk
Wonen
Kansarm
Kansrijk |
|
4. Sociale ongelijkheid |
ML2/K/6/10b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven en verklaren.
ML2/K/6/9c — De kandidaat kan aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. |
Uitleggen welke oorzaken er voor sociale ongelijkheid zijn.
Uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze tot discriminatie kunnen leiden.
Uitleggen hoe we door middel van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen samenleven. |
Taalachterstand
Cultuur
Grondwet
Tolerantie
Kansrijk
Kansarm
Racisme
Xenofobie
Norm
Vooroordeel
Maatschappelijke positie
Sociale ongelijkheid
Discriminatie
Gelijkwaardig
Segregatie
Migratieachtergrond |
|
Massamedia
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Media |
ML2/K/7/12a — De kandidaat kan de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen en beschrijven.
ML2/K/7/11b — De kandidaat kan factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen.
ML2/K/4/5a — De kandidaat kan Nederland typeren als een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk |
Uitleggen hoe je onderscheid maakt tussen verschillende soorten massamedia.
Uitleggen welke belangrijke ontwikkelingen massamedia hebben doorgemaakt.
Uitleggen welke functies media vervullen.
Weten welke rol massamedia spelen op het gebied van democratie en cultuur. |
Communiceren
Medialisering
Medium
Cultuuroverdracht
Journalist
Massamedia
Gedrukte media
Media
Interactieve media
Meningsvormende functie
Controle- of waakhondfunctie
Agendafunctie
Informatiefunctie
Amusementsfunctie
Socialiserende functie
Audiovisuele media |
|
2. Mediapluriformiteit |
ML2/K/7/11d — De kandidaat kan informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk |
Uitleggen wat de rol is van de overheid op het gebied van massamedia.
Uitleggen wat het verschil is tussen de Nederlandse publieke omroep en commerciële media.
Weten welke commerciële belangen media hebben.
Weten welke verschillen media hebben op het gebied van doelgroep, inhoud en vorm. |
Publieke omroep
Commerciële media |
|
3. Nieuws |
ML2/K/7 — Massamedia
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk |
Uitleggen hoe nieuws tot stand komt.
Uitleggen dat nieuws wordt geselecteerd op basis van selectieprocessen.
Uitleggen hoe je kan zien dat nieuws objectief is. |
Verslaggever
Redactie
Medium
Klokkenluider
Selectiecriteria
Journalist
Massamedia
Media
Interactieve media
Persbureau
Agendafunctie
Informatiefunctie
Burgerjournalistiek
Hoor en wederhoor |
|
4. Beïnvloeding |
ML2/K/7/12c — De kandidaat kan benoemen wat de rol van de media is bij beeldvorming en aangeven hoe er sprake is van beïnvloeding door massamedia.
ML2/V/1 — Analyse maatschappelijk vraagstuk |
Weten hoe je vooroordelen en stereotypering kunt herkennen.
Uitleggen dat massamedia niet altijd de werkelijkheid in beeld brengen.
Uitleggen welke beïnvloedingstheorieën er zijn. |
Framing
Manipulatie
Injectienaaldtheorie
Beeldvorming
Agendatheorie
Selectieve waarneming
Stereotype
Referentiekader
Journalist
Massamedia
Theorie van de selectieve perceptie
Framingtheorie
Media
Indoctrinatie
Persvrijheid
Socialiserende functie |
|
Politiek en beleid
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wie bestuurt ons land? |
4.1.1 De kandidaat kent/weet de rol die de overheid speelt op verschillende terreinen.
4.1.4 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.5 De kandidaat kent/weet kenmerken van een dictatuur en kan verschillen tussen een democratie en dictatuur noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten welke rol de overheid op verschillende terreinen speelt.
Uitleggen welke kenmerken een rechtsstaat heeft.
Uitleggen welke kenmerken een dictatuur heeft en de verschillen tussen een democratie en een dictatuur uitleggen. |
Volksvertegenwoordigers
Bestuurders
Rechters
Ambtenaren
De wetgevende macht
De uitvoerende macht
De rechterlijke macht |
|
2. Politieke stromingen |
4.4.2 De kandidaat kan politieke standpunten indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as.
4.4.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van populistische politieke partijen.
4.4.4 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van extremistische politieke partijen of bewegingen.
4.4.5 De kandidaat kan de indeling en uitgangspunten van politieke stromingen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen hoe je standpunten kunt indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as.
Uitleggen wat de uitgangspunten zijn van de vijf politieke stromingen.
Weten welke kenmerken populistische politieke partijen hebben.
Weten welke kenmerken extremistische politieke partijen hebben. |
Populisme
Extremisme |
|
3. Politieke partijen |
4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies en rollen van politieke partijen.
4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten welke kenmerken en functies politieke partijen hebben.
Uitleggen wat de kenmerken zijn van de politieke partijen die in de Tweede Kamer zitten. |
Tweede Kamer
Democratie
Politieke partij
Gemeenteraad
Conservatief
Europese Unie
Verkiezingsprogramma
Volksvertegenwoordigers
Kabinet
Verkiezingen
Progressief
Politiek |
|
4. Verkiezingen |
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.3 De kandidaat kan in verband met het functioneren van de Nederlandse parlementaire democratie de volgende aspecten noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen hoe de verkiezingen en kabinetsformatie in de Nederlandse democratie verlopen.
Weten hoe het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging werkt en hoe het meerderheidsstelsel werkt. |
Actief kiesrecht
Passief kiesrecht |
|
5. Kabinet en parlement |
4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.7 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken en taken van het kabinet.
4.1.8 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten over de verhouding tussen kabinet en parlement. |
Weten welke kenmerken en taken het kabinet heeft.
Uitleggen welke kenmerken en taken het parlement heeft.
Weten wat de verhouding tussen het kabinet en het parlement is. |
Kabinet
Regering |
|
6. Wie heeft de macht? |
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.6 De kandidaat kan de volgende kenmerken, taken en rechten van het parlement, de Eerste en Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.9 De kandidaat kan de volgende machtsmiddelen van het kabinet noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.10 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van Nederland als een constitutionele monarchie.
4.1.11 De kandidaat kan de volgende formele taken en rollen van de koning noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke machtsmiddelen het kabinet heeft.
Uitleggen welke rechten het parlement heeft.
Weten waarom Nederland een constitutionele monarchie is.
Uitleggen wat de taken en rollen van de koning zijn.
Uitleggen wat de kenmerken van een parlementaire democratie zijn. |
Kabinetsformatie
Beleid
Recht van amendement
Parlementaire democratie
Prinsjesdag
Tweede Kamer
Democratie
Ministeriële verantwoordelijkheid
Wetsvoorstel
Begrotingsrecht
Algemene beschouwingen
Dictatuur
Gemeenteraad
Bestuurder
Regeerakkoord
Wetgevende taak
Coalitie
Republiek
Motierecht
Ministerie
Recht van parlementair onderzoek
Wethouder
Grondrechten
Oppositie
Kabinet
Troonrede
Kabinetscrisis
Recht op een debat met het kabinet
Begroting
Motie van wantrouwen
Minister
College van burgemeester en wethouders
Controlerende taak
Vragenrecht
Constitutionele monarchie
Parlement
Verkiezingen
Eerste Kamer
Recht van initiatief
Staatssecretaris
Politiek
Regering |
|
7. Besluiten nemen |
4.2.1 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren en hun rol in het politieke besluitvormingsproces, voor het landelijk bestuursniveau.
4.2.2 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren op het gemeentelijke bestuursniveau en hun rol in het politieke besluitvormingsproces.
4.2.4 De kandidaat kent/weet de rol van ambtenaren in de politieke besluitvorming.
4.2.6 De kandidaat kan de fasen in het proces van politieke besluitvorming noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.2.7 De kandidaat kent/weet de rol en de noodzaak van het sluiten van compromissen in het politieke besluitvormingsproces.
4.2.8 De kandidaat kent/weet deze knelpunten van de parlementaire democratie. |
Uitleggen welke fasen het proces van politieke besluitvorming heeft.
Weten waarom bij besluitvorming vaak compromissen gesloten moeten worden.
Weten welke rol ambtenaren hebben bij besluitvorming.
Weten welke knelpunten de parlementaire democratie heeft.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in ons land.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in de gemeente. |
Beleidsvoorbereiding
Beleid
Parlementaire democratie
Beleidsmakers
Tweede Kamer
Democratie
Wetsvoorstel
Compromis
Beleidsbepaling
Politieke partij
Gemeenteraad
Publieke opinie
Bestuurder
Coalitie
Agendavorming
Politieke besluitvorming
Beleidsuitvoering
Ministerie
Wethouder
Volksvertegenwoordigers
Kabinet
Terugkoppeling
Minister
College van burgemeester en wethouders
Parlement
Verkiezingen
Eerste Kamer
Staatssecretaris
Politiek |
|
8. Invloed op besluiten |
4.2.5 De kandidaat kan de functies die de media spelen in een democratie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.3.1 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden die individuele burgers hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.2 De kandidaat kent/weet de kenmerken van belangen- of pressiegroepen.
4.3.3 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden van belangen- of pressiegroepen om politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.4 De kandidaat kent/weet mogelijkheden die zowel individuele burgers als belangen- of pressiegroepen hebben.
4.3.5 De kandidaat kent/weet de verschillende machtsmiddelen die burgers, belangen- en pressiegroepen kunnen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden. |
Weten hoe burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Weten welke kenmerken belangen- en pressiegroepen hebben.
Weten hoe belangen- en pressiegroepen invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Weten welke machtsmiddelen burgers, belangen- en pressiegroepen hebben.
Uitleggen welke functies de media hebben in een democratie. |
Referendum
Burgerinitiatief
Beleid
Beleidsmakers
Tweede Kamer
Democratie
Belangengroep
Politieke partij
Dictatuur
Nationale Ombudsman
Bestuurder
Lobbyen
Politieke besluitvorming
Agendafunctie
Passief kiesrecht
Controle- of waakhondfunctie
Informatiefunctie
Dagelijks bestuur
Verkiezingen
Politiek
Actief kiesrecht |
|
9. Europese Unie |
4.2.9 De kandidaat kent/weet de redenen voor de Europese samenwerking.
4.2.10 De kandidaat kent/weet de doelstellingen van de Europese Unie.
4.2.11 De kandidaat kent/weet de voorwaarden waaraan landen moeten voldoen om toe te mogen treden tot de Europese Unie.
4.2.12 De kandidaat kent/weet de volgende beleidsterreinen waarop de Europese Unie beleid maakt met de bijbehorende voorbeelden.
4.2.13 De kandidaat kan de Europese besluitvorming door Europese instanties noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.2.14 De kandidaat kent/weet de problemen bij en de kritiek op de Europese samenwerking. |
Weten waarom landen uit Europa samenwerken.
Weten wanneer landen toegelaten kunnen worden tot de Europese Unie (EU).
Weten welke doelen de EU heeft.
Weten op welke terreinen de EU beleid maakt.
Weten welke problemen en kritiek de EU tegenkomt.
Uitleggen hoe Europese besluitvorming werkt en welke Europese instanties betrokken zijn. |
Beleid
Tweede Kamer
Democratie
Rechtsstaat
Europese Commissie
Europese Unie
Lidstaat
Europese Raad
Volksvertegenwoordigers
Oppositie
Kabinet
Minister
Minister-president
Raad van de EU
Europees Parlement
Parlement
Verkiezingen
Politiek
Regering |
|
10. Maatschappelijk vraagstuk |
1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
Beleid
Rechtsstaat
Europese Unie
Kabinet
Minister
Staatssecretaris
Politiek |
|
Criminaliteit en rechtsstaat
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Weten wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit
Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen
Weten wat voorbeelden zijn van wetboeken en rechtsbronnen
Uitleggen dat criminaliteit kan verschillen per land en tijd.
Weten wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit.
Uitleggen wat de begrippen waarde, norm, rechtsregel, geschreven en ongeschreven regel betekenen. |
Veelvoorkomende criminaliteit
Delict
Geschreven regel
Wetboek van Strafrecht
Wet wapens en munitie
Hechtenis
Rechtsregel
Geregistreerde criminaliteit
Overtreding
Ongeschreven regel
Criminaliteit
Opiumwet
Misdrijf
Heling |
|
2. Criminaliteit in Nederland |
8.1.7 De kandidaat kan uitleggen dat criminaliteit voldoet aan de kenmerken van een maatschappelijk probleem.
8.1.10 De kandidaat kent/weet het onderscheid tussen geregistreerde criminaliteit (criminaliteit bekend bij de politie) en ongeregistreerde criminaliteit.
8.1.11 De kandidaat kent/weet van onderstaande manieren van het meten van criminaliteit hoe de gegevens worden verzameld en kan uitleggen waarom bepaalde manieren van meten voor- of nadelen hebben voor het meten van bepaalde vormen van criminaliteit.
8.1.12 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van de rol van media in de beeldvorming over criminaliteit. |
Weten wat het verschil is tussen geregistreerde criminaliteit en ongeregistreerde criminaliteit
Weten op welke manieren je criminaliteit kunt meten en uitleggen wat bij elke manier de voor- en nadelen zijn
Weten welke rol media spelen bij beeldvorming over criminaliteit
Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is |
Delict
Publieke opinie
Politiestatistieken
Slachtofferonderzoek
Daderonderzoek
Geregistreerde criminaliteit
Veiligheidsmonitor
Beeldvorming
Criminaliteit
Ongeregistreerde criminaliteit
Opsporingsbeleid
Misdrijf |
|
3. Rechtsstaat |
8.2.1 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.2 De kandidaat kent/weet het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving.
8.2.3 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafrecht.
8.2.15 De kandidaat kan het verschijnsel van klassenjustitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen wat de kenmerken zijn van een rechtsstaat.
Uitleggen wat klassenjustitie is.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafrecht.
Weten wat het dilemma tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving is. |
Rechtshandhaving
Rechtsbescherming |
|
4. Het strafrecht |
8.2.8 De kandidaat kan de taken en rol van de officier van justitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.10 De kandidaat kent/weet de rol en taken van de reclassering.
8.2.11 De kandidaat kan de volgende taken en bevoegdheden van de politie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.12 De kandidaat kent/weet de belangrijkste taken van de BOA en kan bevoegdheden van de BOA noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke taken de officier van justitie heeft.
Uitleggen welke taken en bevoegdheden de politie heeft.
Weten welke taken en bevoegdheden de BOA heeft.
Weten wat de taken zijn van de reclassering. |
Transactie
Delict
Preventie
Openbaar Ministerie
Overtreding
Officier van justitie
Reclassering
Recidive
Tbs
Vervolgen
Criminaliteit
Seponeren
Strafbeschikking
BOA
Misdrijf
Proces-verbaal |
|
5. Naar de rechter |
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.2.13 De kandidaat kent/weet de organisatie van strafrechtspraak.
8.2.14 De kandidaat kan de volgorde en onderdelen van een rechtszitting noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke onderdelen in een rechtszaak aan bod komen en in welke volgorde ze plaatsvinden.
Weten welke rechterlijke instanties er zijn. |
De kantonrechter
De politierechter
De meervoudige kamer
Het gerechtshof
De Hoge Raad |
|
6. Verdachte en slachtoffer |
8.2.4 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van het jeugdstrafrecht.
8.2.5 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafprocesrecht.
8.2.7 De kandidaat kent/weet de rechten en plichten van de verdachte in de Nederlandse rechtsstaat.
8.2.9 De kandidaat kent/weet de volgende rechten van slachtoffers. |
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafprocesrecht.
Weten wat de rechten en plichten van een verdachte zijn.
Weten wat de kenmerken zijn van het jeugdstrafrecht.
Weten wat de rechten van slachtoffers zijn. |
Leerstraf
Delict
PIJ-maatregel
Legaliteitsbeginsel
Grondrechten
Spreekrecht
Hoger beroep
Machtenscheiding
Hechtenis
Halt-straf
Rechtshandhaving
Rechtsbescherming
Jeugdstrafrecht
Maatregel
Vonnis
Overtreding
Officier van justitie
Reclassering
Rechtsgelijkheid
Misdrijf
Rechtsstaat |
|
7. Oorzaken van criminaliteit |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten dat mensen minder snel strafbare feiten plegen wanneer ze ouder worden.
Weten welke theorieën er over crimineel gedrag zijn. |
Etikettentheorie
Aangeleerd gedragstheorie
Risicofactor
Delict
Beschermende factor
Preventie
Bindingstheorie
Neutraliseringstheorie
Rationele-keuze-theorie
Vervolgen
Criminaliteit
Anomietheorie
Misdrijf |
|
8. Doel van straffen |
8.1.8 De kandidaat kan materiële en immateriële gevolgen van criminaliteit noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet de volgende voorbeelden van gevolgen.
8.5.1 De kandidaat kan de doelen van sancties/ straffen herkennen, noemen, beschrijven en toepassen.
8.5.2 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van soorten straffen en maatregelen. |
Uitleggen wat de materiële en immateriële gevolgen zijn van criminaliteit en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke straffen en maatregelen allemaal opgelegd kunnen worden.
Uitleggen met welke doelen bepaalde straffen en maatregelen worden opgelegd. |
Taakstraf
Geldboete
Gevangenisstraf
Hechtenis
Rechten van iemand afnemen
Uitspraak openbaar maken
Criminele winst afpakken
Schadevergoeding betalen
Tbs (terbeschikkingstelling) |
|
9. Rol van de overheid |
8.4.1 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten met betrekking tot overheidsinstanties die betrokken zijn bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit.
8.4.2 De kandidaat kan de volgende beleidsterreinen waarin verschillende aspecten van criminaliteit en veiligheid aandacht krijgen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.4.3 De kandidaat kan het verschil tussen preventieve en repressieve aspecten van overheidsbeleid noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.4.4 De kandidaat kent/weet de accenten die politieke stromingen en progressieve en conservatieve partijen leggen bij criminaliteitsbestrijding.
8.4.5 De kandidaat kent/weet de effectiviteit en wenselijkheid van gegeven beleidsmaatregelen te beoordelen aan de hand van de volgende criteria. |
Weten welke overheidsinstellingen zich bezighouden met het voorkomen en bestrijden van criminaliteit
Uitleggen op welke beleidsterreinen de overheid criminaliteit bestrijdt
Uitleggen wat het verschil is tussen preventief en repressief beleid
Weten hoe effectief en wenselijk bepaalde beleidsmaatregelen zijn
Weten hoe de verschillende politieke stromingen over criminaliteitsbestrijding denken |
Preventief beleid
Repressief beleid
Rechtshandhaving
Rechtsbescherming |
|
10. Maatschappelijk vraagstuk |
1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
Delict
Criminaliteit
Rechtsstaat |
|
Analyse
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Introductie: de analyse |
1.3 De kandidaat kan waarden, normen en (tegengestelde) belangen van betrokken actoren noemen, herkennen, beschrijven en toepassen, en beoordelen in welke mate die actoren toegang hebben tot machtsmiddelen om voor hun belangen op te komen. |
Weten welke onderdelen er zijn bij de analyse van een maatschappelijk vraagstuk.
Weten dat je een standpunt moet kunnen innemen en hierbij argumenten kunt geven. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Sociaaleconomische invalshoek
Politiek-juridische invalshoek
Sociaal-culturele invalshoek |
|
2. Maatschappelijk vraagstuk |
1.1 De kandidaat kan de kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk noemen. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt. |
||
3. Invalshoeken |
ML2/K/5/7a — De kandidaat kan functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen. |
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren met behulp van de invalshoeken. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Sociaaleconomische invalshoek
Politiek-juridische invalshoek
Sociaal-culturele invalshoek |
|
4. Politiek en beleid |
1.4 De kandidaat kan opvattingen van politieke stromingen en/of politieke partijen over dit maatschappelijk vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten wat de opvattingen zijn van politieke stromingen over dit maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen of betrokken partijen toegang hebben tot machtsmiddelen. |
||
5. Massamedia deel 1 |
1.5 De kandidaat kan de volgende aspecten van de rol die media vervullen ten aanzien van het vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
1.6 De kandidaat kan met voorbeelden uit informatiebronnen over het vraagstuk verduidelijken welke beeldvorming, vooroordelen en stereotypen overgedragen worden, met gebruikmaking van de begrippen selectieve perceptie en referentiekader. De kandidaat kan hierbij vooroordelen en stereotyperingen noemen en herkennen.
1.8 De kandidaat kan theorieën over de beïnvloeding van mensen door de media noemen, herkennen, beschrijven en toepassen op gegeven informatiebronnen. |
Uitleggen welke rol beeldvorming speelt in een maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen welke theorieën van beïnvloeding door de media er zijn.
Uitleggen welke functies de media hebben.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het overheidsbeleid. |
Injectienaaldtheorie
Framingtheorie
Agendatheorie
Theorie van selectieve perceptie
Amusementsfunctie
Informatiefunctie
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Controle- of waakhondfunctie
Agendafunctie
Pluriformiteit
Persvrijheid |
|
6. Massamedia deel 2 |
1.5 De kandidaat kan de volgende aspecten van de rol die media vervullen ten aanzien van het vraagstuk noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
1.7 De kandidaat kan informatiebronnen beoordelen en vergelijken met betrekking tot de vraag of deze meer of minder objectief en dus betrouwbaar zijn. |
Uitleggen welke rol media spelen bij het selecteren van nieuws.
Weten welke acht selectiecriteria er zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
||
Analyses | ||||
Analyse: Vapen |
1.3 De kandidaat kan waarden, normen en (tegengestelde) belangen van betrokken actoren noemen, herkennen, beschrijven en toepassen, en beoordelen in welke mate die actoren toegang hebben tot machtsmiddelen om voor hun belangen op te komen. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek |
|
Analyse: Lachgas |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Politiek-juridische invalshoek |
||
Analyse: Jeugdcriminaliteit |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.6 De kandidaat kan criminaliteit als een relatief begrip (dat wat in de wet wordt omgeschreven als crimineel gedrag kan verschillen per land en kan in een land wijzigen over de tijd heen) noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet daarbij de volgende voorbeelden van de relativiteit van criminaliteit voor het Nederlandse strafrecht.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Sociaal-culturele invalshoek |
|