Inhoudsopgave
Verantwoording Methode M – Maatschappijkunde, vmbo basis
Kolommen
Exporteer
Mens en werk
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
1. Waarom werken we? |
ML2/K/5/7a — De kandidaat kan functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen. |
Weten waarom mensen werken.
Uitleggen waarom het belangrijk is dat werknemers gelukkig zijn in hun werk. |
Werkgeluk |
|
2. De arbeidsmarkt verandert |
ML2/K/5/7e — De kandidaat kan oorzaken en gevolgen van veranderingen op de arbeidsmarkt noemen. |
Weten wat arbeidsverdeling is.
Weten welke grote veranderingen er op de arbeidsmarkt zijn geweest.
Weten wat de oorzaken zijn van werkloosheid.
Weten wat de gevolgen zijn van werkloosheid. |
Arbeidsmarkt
Arbeidsverdeling
Mechanisering
Automatisering
Digitalisering
Robotisering
Werkloosheid
Seizoenswerkloosheid
Conjuncturele werkloosheid
Structurele werkloosheid |
|
3. Maatschappelijke positie |
ML2/K/5/7c — De kandidaat kan herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid. |
Weten dat werk verschillend wordt gewaardeerd.
Weten dat arbeidsverdeling invloed heeft op de sociale ongelijkheid. |
Sociale ongelijkheid
Maatschappelijke positie
Sociale mobiliteit
Kansarm
Kansrijk |
|
4. Sociale zekerheid |
ML2/K/5/7b — De kandidaat kan de rol van de overheid ten aanzien van arbeid en de kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen.
ML2/K/5/7d — De kandidaat kan op het gebied van arbeid verschillende belangen en belangenorganisaties herkennen en aangeven welke middelen er zijn om voor belangen op te komen in overleg- en conflictsituaties. |
Weten wat sociale zekerheid is.
Weten hoe de overheid de sociale zekerheid betaalt.
Weten hoe de werkgevers, werknemers en de overheid met elkaar proberen samen te werken.
Weten hoe je als werknemer inspraak kan hebben binnen je bedrijf. |
Werknemers
Werkgevers
Arbeidsvoorwaarden
Arbeidsomstandigheden
Sociale zekerheid
Verzorgingsstaat
Volksverzekeringen
Werknemersverzekeringen
Sociale voorzieningen
Vakbond
Medezeggenschap |
|
De multiculturele samenleving
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. De multiculturele samenleving |
ML2/K/6/9a — De kandidaat kan Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven. |
Weten waarom Nederland een multiculturele samenleving is.
Weten waarom de multiculturele samenleving een maatschappelijk vraagstuk is. |
Multiculturele samenleving
Cultuur
Dominante cultuur
Subcultuur
Religieuze subcultuur
Etnische subcultuur |
|
2. Migratie |
ML2/K/6/9a — De kandidaat kan Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven. |
Weten welke migrantengroepen er in Nederland leven.
Weten welke migratiemotieven er zijn. |
Migranten
Immigrant
Migratieachtergrond
Migratiemotieven
Arbeidsmigranten
Vluchtelingen
Asielzoekers |
|
3. Overheidsbeleid |
ML2/K/6/9a — De kandidaat kan Nederland als multiculturele samenleving typeren en het overheidsbeleid ten aanzien hiervan herkennen en beschrijven.
ML2/K/6/9b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven. |
Weten wat het toelatingsbeleid is.
Uitleggen dat het integratiebeleid gebaseerd is op de Grondwet.
Weten welke maatschappelijke positie migranten hebben. |
Kansarm
Kansrijk
Restrictief toelatingsbeleid
Vluchtelingenverdrag
Grondwet
Integratiebeleid
Tolerant
Inburgeringscursus |
|
4. Sociale ongelijkheid |
ML2/K/6/9b — De kandidaat kan de sociaal-economische positie van allochtone groepen beschrijven.
ML2/K/6/9c — De kandidaat kan aangeven hoe met uitingen van vooroordelen en discriminatie kan worden omgegaan vanuit het beginsel van gelijkwaardigheid en respect. |
Weten welke oorzaken er voor sociale ongelijkheid zijn.
Uitleggen hoe vooroordelen tot discriminatie kunnen leiden.
Uitleggen hoe we discriminatie kunnen voorkomen. |
Sociale ongelijkheid
Taalachterstand
Discriminatie
Vooroordeel
Racisme
Gelijkwaardig |
|
Massamedia
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Media |
ML2/K/7/11a — De kandidaat kan de betekenis van massamedia voor de samenleving herkennen.
ML2/K/7/11b — De kandidaat kan factoren en ontwikkelingen herkennen en noemen als het gaat om de inhoud en programmering van massamedia, en nieuwsvoorziening kritisch beoordelen. |
Uitleggen hoe je onderscheid maakt tussen verschillende soorten massamedia.
Weten welke belangrijke ontwikkelingen massamedia hebben doorgemaakt.
Weten welke functies media vervullen.
Uitleggen welke rol massamedia spelen op het gebied van democratie en cultuur. |
Media
Massamedia
Gedrukte media
Audiovisuele media
Interactieve media
Amusementsfunctie
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Informatiefunctie
Controle- of waakhondfunctie
Cultuuroverdracht |
|
2. Mediapluriformiteit |
ML2/K/7/11d — De kandidaat kan informatie vergelijken van verschillende media en verschillen daarin herkennen. |
Weten wat het verschil is tussen de Nederlandse Publieke Omroep en commerciële media.
Weten welke commerciële belangen media hebben.
Weten welke verschillen media hebben op het gebied van doelgroep, inhoud en vorm. |
Publieke omroep
Commerciële media
Pluriformiteit
Doelgroep |
|
3. Nieuws |
ML2/K/7 — Massamedia |
Weten hoe nieuws tot stand komt.
Weten hoe je kunt zien of nieuws betrouwbaar is. |
Journalist
Persbureau
Verslaggever
Klokkenluider
Persvrijheid
Selectiecriteria
Redactie
Hoor en wederhoor |
|
4. Beïnvloeding |
ML2/K/7/11c — De kandidaat kan in voorbeelden de rol herkennen die media kunnen vervullen bij beeldvorming (waaronder vooroordelen en stereotypen), en bij de overdracht van waarden en normen. |
Weten hoe je vooroordelen en stereotypering kunt herkennen.
Uitleggen dat massamedia niet altijd de werkelijkheid in beeld brengen. |
Vooroordelen
Stereotypen
Vooroordeel
Stereotype
Beeldvorming |
|
Politiek en beleid
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wie bestuurt ons land? |
4.1.1 De kandidaat kent/weet de rol die de overheid speelt op verschillende terreinen.
4.1.4 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.1.5 De kandidaat kent/weet kenmerken van een dictatuur en kan verschillen tussen een democratie en dictatuur noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten welke rol de overheid op verschillende terreinen speelt.
Uitleggen welke kenmerken een rechtsstaat heeft.
Uitleggen welke kenmerken een dictatuur heeft en de verschillen tussen een democratie en een dictatuur uitleggen. |
Volksvertegenwoordigers
Bestuurders
Ambtenaren
Rechters
Politiek
Beleid
Bestuurslagen
Rechtsstaat
Machtenscheiding (trias politica)
Wetgevende macht
Uitvoerende macht
Rechterlijke macht
Democratie
Dictatuur (autocratie)
Rechtszekerheid
Grondrechten
Rechtsgelijkheid |
|
2. Politieke stromingen |
4.4.2 De kandidaat kan politieke standpunten indelen op de links/rechts-as en de progressief/conservatief-as.
4.4.5 De kandidaat kan de indeling en uitgangspunten van politieke stromingen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen hoe je standpunten kunt indelen met links en rechts.
Uitleggen hoe je standpunten kunt indelen met progressief en conservatief.
Uitleggen wat de uitgangspunten zijn van de vijf politieke stromingen. |
Links
Rechts
Conservatief
Progressief
Liberalisme
Sociaaldemocratie
Christendemocratie
Rentmeesterschap
Ecologische stroming
Nationalistische stroming
Globalisering |
|
3. Politieke partijen |
4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies van politieke partijen.
4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten welke kenmerken en functies politieke partijen hebben.
Uitleggen wat de standpunten zijn van de politieke partijen die in de Tweede Kamer zitten. |
Politieke partijen
Verkiezingen
Verkiezingsprogramma (partijprogramma) |
|
4. Verkiezingen |
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.3 De kandidaat kan in verband met het functioneren van de Nederlandse parlementaire democratie de volgende aspecten noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen hoe de verkiezingen en kabinetsformatie in de Nederlandse democratie verlopen. |
Actief kiesrecht
Passief kiesrecht
Zwevende kiezers
Lijsttrekker
Dagelijks bestuur
Kabinet
Het college van burgemeester en wethouders (B&W)
Gemeenteraad
Provinciale Staten
Gedeputeerde Staten
Kabinetsformatie
Coalitie
Regeerakkoord
Minister-president
Ministers
Staatssecretarissen |
|
5. Kabinet en parlement |
4.1.7 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken en taken van het kabinet.
4.1.8 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten over de verhouding tussen kabinet en parlement. |
Weten welke kenmerken en taken het kabinet heeft.
Uitleggen welke kenmerken en taken het parlement heeft. |
Regering
Wetgevende taak
Controlerende taak
Ministerie (departement)
Begroting
Wetsvoorstel
Tweede Kamer
Eerste Kamer
Parlement (Volksvertegenwoordiging; Staten-Generaal)
Motie van wantrouwen |
|
6. Wie heeft de macht? |
4.1.2 De kandidaat weet dat Nederland een democratische rechtsstaat is: een parlementaire democratie in een rechtsstaat.
4.1.10 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van Nederland als een monarchie.
4.1.11 De kandidaat kan de volgende formele taken en rollen van de koning noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten waarom Nederland een constitutionele monarchie is.
Uitleggen wat de taken en rollen van de koning zijn.
Weten wat de kenmerken van een parlementaire democratie zijn. |
Constitutionele monarchie
Ministeriële verantwoordelijkheid
Prinsjesdag
Troonrede
Republiek
Parlementaire democratie
Algemene beschouwingen |
|
7. Besluiten nemen |
4.2.1 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren en hun rol in het politieke besluitvormingsproces, voor het landelijk bestuursniveau.
4.2.2 De kandidaat kent/weet de namen en taken van de actoren op het gemeentelijke bestuursniveau en hun rol in het politieke besluitvormingsproces.
4.2.4 De kandidaat kent/weet de rol van ambtenaren in de politieke besluitvorming.
4.2.6 De kandidaat kan de fasen in het proces van politieke besluitvorming noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke fasen het proces van politieke besluitvorming heeft.
Weten welke rol ambtenaren hebben bij besluitvorming.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in ons land.
Weten wie welke taken heeft bij besluitvorming in de gemeente. |
Politieke besluitvorming
Agendavorming
Publieke opinie
Beleidsvoorbereiding
Beleidsmakers
Beleidsbepaling
Beleidsuitvoering
Terugkoppeling |
|
8. Invloed op besluiten |
4.2.5 De kandidaat kan de functies die de media spelen in een democratie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
4.3.1 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden die individuele burgers hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.2 De kandidaat kent/weet de kenmerken van belangen- of pressiegroepen.
4.3.3 De kandidaat kent/weet de mogelijkheden van belangen- of pressiegroepen om politieke besluitvorming te beïnvloeden.
4.3.4 De kandidaat kent/weet mogelijkheden die zowel individuele burgers als belangen- of pressiegroepen hebben. |
Weten hoe burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Weten welke kenmerken belangen- en pressiegroepen hebben.
Weten hoe belangen- en pressiegroepen invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming.
Uitleggen welke functies de media hebben in een democratie. |
Informatiefunctie
Controle- of waakhondfunctie
Belangengroep (pressiegroep)
Belang
Lobbyen
Burgerinitiatief
Referendum
Nationale Ombudsman |
|
9. Europese Unie |
4.2.9 De kandidaat kent/weet de redenen voor de Europese samenwerking.
4.2.10 De kandidaat kent/weet de doelstellingen van de Europese Unie.
4.2.11 De kandidaat kent/weet de voorwaarden waaraan landen moeten voldoen om toe te mogen treden tot de Europese Unie.
4.2.12 De kandidaat kent/weet de volgende beleidsterreinen waarop de Europese Unie beleid maakt met de bijbehorende voorbeelden.
4.2.13 De kandidaat kan de Europese besluitvorming door Europese instanties noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten waarom landen uit Europa samenwerken.
Weten wanneer landen toegelaten kunnen worden tot de Europese Unie (EU).
Weten welke doelen de EU heeft.
Weten op welke terreinen de EU beleid maakt.
Uitleggen hoe Europese besluitvorming werkt en welke Europese instanties betrokken zijn. |
Europese Unie (EU)
Europese Commissie
Raad van de EU
Europees Parlement (EP) |
|
10. Maatschappelijk vraagstuk |
ML2/K/5/7c — De kandidaat kan herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
Belang
Kabinet
Staatssecretaris
Politiek
Rechtsstaat
Beleid
Minister
Europese Unie |
|
Criminaliteit en rechtsstaat
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Wat is criminaliteit? |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Weten wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
Uitleggen wat de begrippen waarde, norm, rechtsregel, geschreven en ongeschreven regel betekenen.
Weten wat het verschil is tussen overtredingen en misdrijven en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten wat de kenmerken zijn van veelvoorkomende criminaliteit.
Weten wat voorbeelden zijn van wetboeken. |
Waarde
Norm
Ongeschreven regel
Geschreven regel
Rechtsregel
Criminaliteit
Delict
Overtreding
Misdrijf
Heling
Hechtenis
Veelvoorkomende criminaliteit
Geschreven regels
Ongeschreven regels
Wetboek van Strafrecht
Opiumwet
Wet wapens en munitie
Wegenverkeerswet |
|
2. Criminaliteit in Nederland |
8.1.7 De kandidaat kan uitleggen dat criminaliteit voldoet aan de kenmerken van een maatschappelijk probleem.
8.1.10 De kandidaat kent/weet het onderscheid tussen geregistreerde criminaliteit (criminaliteit bekend bij de politie) en ongeregistreerde criminaliteit.
8.1.11.1 Politiestatistieken
8.1.11.2 Slachtofferonderzoek
8.1.12 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van de rol van media in de beeldvorming over criminaliteit. |
Weten wat het verschil is tussen geregistreerde criminaliteit en ongeregistreerde criminaliteit.
Weten welke rol media spelen bij beeldvorming over criminaliteit.
Uitleggen dat criminaliteit een maatschappelijk vraagstuk is. |
Politiestatistieken
Slachtofferonderzoek
Geregistreerde criminaliteit
Ongeregistreerde criminaliteit
Beeldvorming |
|
3. Rechtsstaat |
8.2.1 De kandidaat kan de volgende kenmerken van een rechtsstaat noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.3 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafrecht. |
Uitleggen wat de kenmerken zijn van een rechtsstaat.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafrecht. |
Rechtsstaat
Grondrechten
Rechtsgelijkheid
Machtenscheiding (Trias Politica)
Noodweer
Overmacht
Ontoerekeningsvatbaar
Rechtszekerheid |
|
4. Het strafrecht |
8.2.8 De kandidaat kan de taken en rol van de officier van justitie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.10 De kandidaat kent/weet de rol en taken van de reclassering.
8.2.11 De kandidaat kan de volgende taken en bevoegdheden van de politie noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.2.12 De kandidaat kent/weet de belangrijkste taken van de BOA en kan bevoegdheden van de BOA noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke taken de officier van justitie heeft.
Uitleggen welke taken en bevoegdheden de politie heeft.
Weten welke taken de BOA heeft.
Weten wat de reclassering doet. |
Vervolgen
Seponeren
Transactie
Strafbeschikking
Officier van justitie (Openbaar aanklager)
Openbaar Ministerie (OM)
Openbare aanklager
Criminaliteit
Preventie
Proces-verbaal
Reclassering
Recidive
BOA
Handhaven |
|
5. Naar de rechter |
8.1.4 De kandidaat kent/weet de volgende rechtsbronnen.
8.2.13 De kandidaat kent/weet de organisatie van strafrechtspraak.
8.2.14 De kandidaat kan de volgorde en onderdelen van een rechtszitting noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Uitleggen welke stappen er in een rechtszaak zijn en in welke volgorde ze plaatsvinden.
Weten welke verschillende rechters er zijn. |
De officier van justitie
De verdachte
De advocaat
De getuige(n)
De rechter(s)
Het gerechtshof
De Hoge Raad
Tenlastelegging (aanklacht)
Requisitoir
Pleidooi
Vonnis (uitspraak)
Politierechter
Kantonrechter
Meervoudige kamer
Hoger beroep
Gerechtshof
Hoge Raad
Cassatie |
|
6. Verdachte en slachtoffer |
8.2.4 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van het jeugdstrafrecht.
8.2.5 De kandidaat kent/weet de uitgangspunten van het strafprocesrecht.
8.2.7 De kandidaat kent/weet de rechten en plichten van de verdachte in de Nederlandse rechtsstaat.
8.2.9 De kandidaat kent/weet de volgende rechten van slachtoffers. |
Weten wat de uitgangspunten zijn van het strafprocesrecht.
Weten wat de rechten en plichten van een verdachte zijn.
Weten wat de rechten van slachtoffers zijn.
Weten wat de regels zijn van het jeugdstrafrecht. |
Jeugdstrafrecht
PIJ-maatregel
Halt-straf
Leerstraf
Spreekrecht |
|
7. Oorzaken van criminaliteit |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Uitleggen welke factoren de kans op strafbaar gedrag vergroten of verkleinen.
Weten dat mensen minder snel strafbare feiten plegen wanneer ze ouder worden. |
Risicofactoren
Beschermende factoren |
|
8. Doel van straffen |
8.1.8 De kandidaat kan materiële en immateriële gevolgen van criminaliteit noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kent/weet de volgende voorbeelden van gevolgen.
8.5.1 De kandidaat kan de doelen van sancties/ straffen herkennen, noemen, beschrijven en toepassen.
8.5.2 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten van soorten straffen en maatregelen. |
Uitleggen wat de materiële en immateriële gevolgen zijn van criminaliteit en hiervan voorbeelden kunnen noemen.
Weten welke straffen en maatregelen allemaal opgelegd kunnen worden.
Uitleggen met welke doelen bepaalde straffen en maatregelen worden opgelegd. |
Taakstraf
Geldboete
Gevangenisstraf
Hechtenis
Rechten afnemen
Uitspraak openbaar maken
Criminele winst afpakken
Schadevergoeding betalen
Tbs
Materiële gevolgen (materiële schade)
Immateriële gevolgen (immateriële schade)
Morele verontwaardiging
Normvervaging
Eigenrichting
Hoofdstraf
Bijkomende straf
Maatregel
Tbs (Terbeschikkingstelling)
Vergelding
Rechtshandhaving
Rechtsorde
Heropvoeding (resocialisatie)
Genoegdoening |
|
9. Rol van de overheid |
8.4.1 De kandidaat kent/weet de volgende aspecten met betrekking tot overheidsinstanties die betrokken zijn bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit.
8.4.2 De kandidaat kan de volgende beleidsterreinen waarin verschillende aspecten van criminaliteit en veiligheid aandacht krijgen noemen, herkennen, beschrijven en toepassen.
8.4.3 De kandidaat kan het verschil tussen preventieve en repressieve aspecten van overheidsbeleid noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten welke overheidsinstellingen zich bezighouden met het voorkomen en bestrijden van criminaliteit.
Uitleggen op welke beleidsterreinen de overheid criminaliteit bestrijdt.
Uitleggen wat het verschil is tussen preventief en repressief beleid. |
Preventief beleid
Repressief beleid
Opsporingsbeleid
Vervolgingsbeleid
Gevangenisbeleid
Jeugdcriminaliteitsbeleid |
|
10. Maatschappelijk vraagstuk |
ML2/K/5/7c — De kandidaat kan herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
Criminaliteit
Delict
Rechtsstaat |
|
Analyse
| ⋮⋮Les | ⋮⋮Onderwijsdoelen | ⋮⋮Leerdoelen | ⋮⋮Begrippen | ⋮⋮Portfolio-opdracht |
|---|---|---|---|---|
Inhoudsopgave | ||||
1. Introductie: de analyse |
Weten welke onderdelen er zijn bij de analyse van een maatschappelijk vraagstuk.
Weten dat je een standpunt moet kunnen innemen en hierbij argumenten kunt geven. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Sociaaleconomische invalshoek
Politiek-juridische invalshoek
Sociaal-culturele invalshoek |
||
2. Maatschappelijk vraagstuk |
ML2/K/5/7c — De kandidaat kan herkennen wat de invloed is van arbeidsverdeling op de sociale ongelijkheid. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Weten wanneer een vraagstuk een politiek probleem wordt.
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Sociaaleconomische invalshoek
Politiek-juridische invalshoek
Sociaal-culturele invalshoek |
|
3. Invalshoeken |
ML2/K/5/7a — De kandidaat kan functies en maatschappelijke waardering van arbeid herkennen. |
Weten wat de invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen hoe je een maatschappelijk vraagstuk kunt analyseren met behulp van de invalshoeken. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek
Sociaaleconomische invalshoek
Politiek-juridische invalshoek
Sociaal-culturele invalshoek |
|
4. Politiek en beleid |
4.2.3 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken, functies van politieke partijen.
4.4.1 De kandidaat kan de namen, de uitgangspunten en indien van toepassing de bijbehorende politieke stromingen van de landelijke politieke partijen die zetels hebben in de Tweede Kamer noemen, herkennen, beschrijven en toepassen. |
Weten wat de opvattingen zijn van politieke stromingen over dit maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen of betrokken partijen toegang hebben tot machtsmiddelen. |
||
5. Massamedia deel 1 |
Uitleggen welke rol beeldvorming speelt in een maatschappelijk vraagstuk.
Uitleggen welke theorieën van beïnvloeding door de media er zijn.
Uitleggen welke functies de media hebben.
Weten wat de uitgangspunten zijn van het overheidsbeleid. |
Injectienaaldtheorie
Framingtheorie
Agendatheorie
Theorie van selectieve perceptie
Amusementsfunctie
Informatiefunctie
Socialiserende functie
Meningsvormende functie
Controle- of waakhondfunctie
Agendafunctie
Pluriformiteit
Persvrijheid |
||
6. Massamedia deel 2 |
Uitleggen welke rol media spelen bij het selecteren van nieuws.
Weten welke acht selectiecriteria er zijn.
Uitleggen hoe je de betrouwbaarheid van een bron kunt vaststellen. |
|||
Analyses | ||||
Analyse: Vapen |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Veranderings- en vergelijkende invalshoek |
||
Analyse: Lachgas |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Politiek-juridische invalshoek |
||
Analyse: Jeugdcriminaliteit |
8.1.1 De kandidaat kent/weet wat er wordt bedoeld met het begrip criminaliteit.
8.1.2 De kandidaat kent/weet de volgende voorbeelden van misdrijven en overtredingen.
8.1.3 De kandidaat kent/weet voorbeelden van wetboeken.
8.1.5 De kandidaat kan de begrippen waarde, norm, geschreven en ongeschreven regel en rechtsregel noemen, herkennen, beschrijven en toepassen en kan het verband tussen deze begrippen uitleggen.
8.1.9 De kandidaat kent/weet de volgende kenmerken van veelvoorkomende criminaliteit.
8.2.6 De kandidaat kent/weet de verschillen tussen overtredingen en misdrijven. |
Uitleggen wat de vier kenmerken van een maatschappelijk vraagstuk zijn.
Uitleggen wat de vier invalshoeken bij een maatschappelijk vraagstuk zijn. |
Sociaal-culturele invalshoek |
|